Voorrede

Sebastiaan Slaap

De heer Paradijs verzocht mij, als oud vriend zijns vaders, een klein woordje van aanbeveling aan deze zijne eerstelingen te laten voorafgaan. Ik voldoe gaarne aan ZEds. verzoek, daar ik altijd prijs heb gesteld op de verspreiding van goede poëzie met een flinken, degelijken inhoud onder alle rangen en stander der maatschappij. Godsvrucht en menschenmin aan te kweeken ook in het hart van den minsten onzer medeschepselen is een taak, die nooit genoeg kan aangewakkerd worden, vooral als zij geschiedt door dat edele voertuig onzer verhevenste gedachten en gevoelens, de nog maar al te schaars beoefende dichtkunde. Want -waarom het ons te ontveinzen?- wij hebben, Gode zij de eer, vele voortreffelijke puikdichters in ons vaderland, waarom het buitenland ons benijdt, en die steeds de snaar gespannen hebben voor alles waarmeê de Heer ons in zijn ondoorgrondelijke genade gezegend heeft, als daar zijn: godsdienst, eigen haard, geboortegrond en het onvergetelijke Oranjehuis. Ja, laten wij er in ootmoedigheid voor uitkomen, wij kunnen met rechtmatigen trots wijzen op een zangberg, waarbij menig veel geprezen terrein der letteren van ouden en nieuwen tijd in den afgrond zinkt. Nogmaals, ik herhaal, wij hebben dichters, maar... worden zij gelezen? Ik bedoel, zijn zij zoo doorgedrongen in merg en been onzer natie, dat b.v. de meesterwerken van den grijzen Beets ook in hart en mond onzer kleinen leven, en de goddelijke gezangen van ten Kate zoowel den meest, als den minst ontwikkelden onzer landgenooten, den schamelen daglooner, als den gezeten predikant in verrukking zetten? Helaas! hoofdschudden moet het antwoord luiden: `Neen!' Zij worden gekocht, misschien opengesneden, maar gelezen - nooit. Onze populaire poëzie is niet populair, en de reden ervan is even eenvoudig als treffend. De poëzie van ten Kate, Beets, Hasebroek, om van vele anderen niet te spreken, hoe voortreffelijk ook, is voor het volk te moeielijk en de prijs ervan te duur. Het volk houdt niet van grootte boeken en lange gedichten: maar het wil een kort, hartig woordje, om het te steunen bij alle voorkomende moeielijkheden des levens, om het te stichten bij alle onschuldige geneuchten van zijn bestaan: het volk wil gevoêred, niet gespijzigd worden, en de zakken van ons volk zijn, door Gods bestier, niet zoo ruim gevuld, dat het guldens zou kunnen uitgeven, waar het door noesten handenarbeid slechts stuivers verdient. Zie, en daarom zou ik zoo graag wenschen dat dit boekje een plaats vond in de huiskamer ook van den nederigsten dienaar van onzen lieven Heer J.C., om er wat licht te verspreiden, als de wolken zich mochten samenpakken op het voorhoofd van den man en vader, om het zinkend hart der huisvrouw te bemoedigen, als zij in den uitersten nood slechts naar God, als haar toeverlaat, kan uitzien.

De prijs is daarom, in overleg met den uitgever, onder ieders bereik geplaatst, en de toon is, door des schrijvers bemoeiingen, zoo laag gesteld, dat hij onder ieders bevatting valt. Het is een geliefkoosde illusie van den heer Paradijs en mijn vurige wensch, dat hij zoodoende ons volk moge opvoeden en voorbereiden tot een beter begrip van de schatten onzer vaderlandsche letteren, die nu nog onontgonnen braakliggen op de zolders en in de kasten van onze H.H. uitgevers. Cornelis Paradijs wil ons volk leeren lezen, en, al lezende, de zaden van deugd en godsvrucht rondstrooien, opdat zij eenmaal, in zijn voetspoor geoefend, zelve uit eigen beweging naar de werken grijpen, waarvan deze zwakke proeve slechts, als ik eht zoo zeggen mag, het voorportaal moet zijn. Zijn huiselijke poëzie kan tot inleiding strekken voor de meer uitgebreide werken onzer hoofddichters, over hetzelfde onderwerp handelende, terwijl zijn lofdichten, vooral het met alle mogelijke liefde en zorg bewerkte Predikantenlied, er op berekend zijn het volk meer bekend te maken met de aanvoerders onzer dichterkoren. Want onze vergrijsde letterhelden moeten en zullen eindelijk publiek eigendom worden. Daar helpt niets aan. Dat 's Heeren zegen op zijn streven moge rusten is de wensch van zijn vaderlijken vriend,

Sebastiaan Slaap



Grassprietjes, 1885

[Cornelis Paradijs pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.