Frederik van Eeden

Avond in de stad.

De groote stem der stad verstomt
en de nachtwind die in mijn venster komt
brengt een vaag en wonderlijk suizen
als zuchten der slapende huizen.

Mijn lamp brandt stil en suizelt zacht
en peinst zijn gepeinzen den langen nacht.
Ik staar in het heldere branden,
mijn katje speelt met mijn handen.

Hoe waren de dagen die verre zijn
toen mijn haart ontwaakte in den zomerschijn?
toen de geuren mij wekten der linde?
toen de kelken knikten der winde?

Waar heb ik de roze het eerst gegroet,
de bleeke, die groeit aan der duinen voet?
Mijn katje speelt in de schaduwwen
der gordijnen, met ritslende klauwen. 9

Zie, bloemen en gras op mijn kleed, mijn boek,
een meidoorn bloeit in den kamer-hoek,
zie, bleekroode rozen omringen
mij rings, en dichte seringen . . . .

Maar een schaduw valt en alles wijkt. --
Op de vensterbank zit mijn katje en kijkt
in de donkere diepte neder,
zijn staart slingert heen en weder.

Nu komen van over de zwarte stad,
nu stijgen op uit het wiegelend nat
van de kille, duistere grachten,
de kille, zwarte gedachten.

Ze zweven zwijgend door 't venster heen,
op iedere schouder zet zich één,
op mijn hoofd, mijn borst en mijn brauwen,
ze drukken met klemmend benauwen.

En dof hoort mijn oor het vaag gerucht
der nachtwind die weeklagend zucht,
de angstige droomen der huizen.
Mijn lamp blijft peinzend suizen.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 8-9.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster