Frederik van Eeden

Schemering in 't Woud.

Hier moet ik peinzend gaan en stil, --
het afgeleefde loof kwijnt aan de twijgen,
ik voel den loomen schemer stijgen --
en stijgen, stil.

Wat glanst het bleeke Westen koud!
een matte lach uit droeve wolkenbrauwen
doet flauw den teed'ren nevel blauwen
in 't gélend woud. --

Ik zie den bleeken stervenswenk.
Ik voel het doffe duister in mij dringen
en verre stemmen hoor ik zingen
al wat ik denk. --

Waar zijt ge, Dood? -- zoo gij rondom
op wieken van de schemering komt rijzen,
nu doet uw nadering niet ijzen, --
ik wacht u -- kom!


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 12.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster