Frederik van Eeden

De Eigen Uitvaart.

   Spel mijner wereld! -- nu is het genoeg.
Wel zijn zij mooi, -- de bonte droomen-reien,
      de kleuren, en geluiden -- en het licht --
doch laat het stil zijn, -- want nu wil ik schreien . . .
   Maar eer het eeuwig zwart gordijn zal vallen
   groet ik de levende gestalten allen
      die speelden voor mijn aangezicht.

   Slepende melodieën -- komt tot mij!
Gij waart mij de allertrouwsten van die velen --
      Gij moet mij dragen -- dragen met elkaar
in uw zachte armen, -- en mijn wangen streelen,
   U aan mijn hals als donzen slangen vleien
   en mij met lichte schreden begeleien
      in golving, zacht en wonderbaar.

   Nu draagt mij door mijn wereld, -- lichte stoet!
Als wolken die een goeden Koning dragen.
      'k Zie dichte groepen, die daar wachtend staan
tot ver in 't wondre licht van doode dagen,
   en reiken naar mijn komst en samendringen . . .
   "Ik dank u -- dank u -- liever erinneringen!
      "'t Was mooi, -- gij hebt uw best gedaan!" 17

   Zijt ge daar, Liefde! -- met uw bleek gelaat
en weenende oogen? -- ween niet bij mijn scheien . . .
      wij worden oud, -- 't is goed nu dat ik ga:
Zóó zoete tranen kunt gij niet meer schreien
   als ééns, -- dan zou ik altijd moeten klagen:
   waar is mijn lust van heengegane dagen,
      mijn liefste zonder wederga?

   Heel innig heb ik u eens lief gehad,
uw teeder lichaam en uw gouden haren --
      Ja liever dan alle andren had ik u
die om uw liefde alleen mij dierbaar waren . . . .
   Laat het genoeg zijn nu der blijde tijden.
   Laat mij het kwijnen van dien blik niet lijden.
      Laat mij nu heengaan, -- óók om u.

   Zie! in den blanken lichtglans om u heen
komen er velen zachtkens toegetreden.
      Ze knikken zoo vertrouwelijk en ik weet
wel wat die lippen fluistren, -- hoor! hun schreden
   ruischen zooals de zee ruischt op de stranden --
   'k Zie windekelken in hun witte handen
      en gele rozen op hun kleed 18

   Kom tot mij, -- lieven! -- O! ik min u zóo --
om 't morgenzonlicht in uw minnige oogen,
      dat ik ter uwer wille, niet wil zijn.
O komt nog ééns en wilt nog ééns gedoogen
   dat ik met handen voel uw hoofd, uw wangen,
   tot aan mijn handen zoete geur blijft hangen,
      geur van seringen en jasmijn.

   Ai, komt ook tot mij -- die zoo duister zijt!
maagre figuren -- rillend in het grauwe,
      schaamle gewaad van bitterheid en nijd.
Zoudt gij mij mijden, kindren mijner rouwe?
   Uw goeden Koning -- die nu slechts wil prijzen
   uw kunstig spel en u veel liefs bewijzen
      glimlachend bij uw grimmigheid?

   Want weet! -- over u allen komt de nacht!
Zwarter dan schaduw, -- stiller dan het zwijgen
      der diepe heemlen. -- Want als aanstonds hoog
om mijn dood lijf vlammen van liefde stijgen,
   zult gij luid klagende aan mijn lijk u klemmen,
   Dan komt de nacht, waar 't licht was van uw stemmen,
      de stilheid, waar uw voet bewoog. 19

   Schoone gedachten, die geen dag nog kent,
gij moogt niet klagen om uw vroeg verscheiden:
      Schoonheid en sterkte sterven niet te vroeg,
die sterven in hun jeugd. -- Was niet uw blijde
   morgen zoo klaar van dauw en vogelzangen? --
   Gij zult naar 't licht des middaags niet verlangen,
      want ik, uw heer, zeg: "'t Is genoeg!"

   Gaat langzaam nu -- in plechtig tragen gang,
en heft mij hoog, -- dat ik nog kan omvatten
      met éénen blik van liefde mijn heelal,
mijn zon, mijn licht, mijn bloemen, al mijn schatten;
   die zijn mij zelf, -- en met mij zullen zinken --
   Nevelen stijgen . . . . breede koren klinken,
      golvend in grooten rhytmenval.

   Staat allen om mij! -- draagt de toortsen aan!
Wild schittert hunne gloed -- en de gezangen
   worden al luider -- worden bang en vreemd . . .
Kom mede -- wereld! in één groot verlangen.
   Laat hel en hoog de felle vlammen rijzen,
   tot 't laatste lichten van mijn ziel zal deizen
      voor nacht - die nimmer einde neemt.

(1886)


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 16-19.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster