Frederik van Eeden

Voor de Liefste.

In zachte klanken saamgebracht
heb ik uw zoeten naam gedacht
   o mijn lief uitverkoren!
die 't liefst mij aller dingen zijt,
die ik mijn hart heb ingeleid
   en eeuwig zal behooren.

Dit lied is voor de liefste mijn,
dus zal 't als mijne liefde zijn,
   als een gesmeede keten,
van rijm aan rijm aaneengehecht
en om twee harten heengelegd
   die van geen gescheiden weten.

Ik zoek in 's harten innigheid,
herdenkend uw aanminnigheid
   naar rijmen uitgelezen,
die 'k schoon als bloemen binden zal
en rond uw lief hoofd winden zal
   dat 't zal geheiligd wezen. 21

Want mijn arm hart was zwerveling
dat dikmaals ten verderve ging
   waar 't niet door 't Lief behouden.
Nu laat dit hart zijn zwerven na
en ik zal, tot ik sterven ga
   op u, mijn Lief, vertrouwen.

Schoon blinkt nog wat voor jaren was,
toen in uw donkre haren was
   't wit, dat de bruiden dragen.
In mij blijft na dien staatsie-schijn
gelijke veneratie zijn
   tot 't einde mijner dagen.

Mijn ziel heeft zich verheven zeer
en wil niet zooveel geven meer
   om 't hoogst in menschen-oogen.
O ziel, hoe gij hoogmoedig zijt,
toch ligt gij in ootmoedigheid
   voor mijn rein Lief gebogen.

Zij 't menschenlot al ongewis,
'k heb haar die hier bezongen is,
   die mij nooit zal begeven, --
een kerk van blank albast gewijd,
een wonder van standvastigheid
   in 't onstandvastig leven. 22

Deemoedig in dien tempelhal
neerknielend op den drempel zal
   ik 't hoog Lief geven eere. --
Der kindren beden stijgen niet,
der heil'gen harten neigen niet
   inniger tot hun Heere.

En 't hart dat niet te buigen is
geeft openlijk getuigenis
   hoe diep 't nu ligt gebogen
voor 't goed Lief dat gaat boven al
't welk dienen ik en loven zal
   met mijn aandachtige oogen.

Ik ken de duistere nachten wel
de stormen der gedachten wel,
   die 't menschenhart verblinden,
maar ik heb meer dan sterre schijn;
mijn Lief, het zal nooit verre zijn
   waar ik mijn licht kan vinden.

Dus ga ik met zeer vasten moet
niet vreezend dat ik tasten moet
   met mijn gespreide handen.
Mijn Lief een klare luister is
die boven storm en duisternis
   gestadiglijk zal branden. 23

En hoe ook 't lijf met lang geklag
Om leed en doodsmart bangen mag,
   de ziel, zij zal niet zorgen, --
die weet, Lief, dat gij veilig zijt
in allerdiepste heiligheid
   van dit diep hart geborgen.

(1888)


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 20-23.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster