Frederik van Eeden

Voor H.

Midden in Mei, toen 't zomer worden zou,
   had ik een droom vol oud en schoon verdriet;
die 'k eens zeer liefhad, kwam in 't donkerblauw
   gewaad en lachte: "Waarom lach je niet?"

Meer niet, -- zoo is 't in droomen. -- 'k Voelde flauw
   dat 't lang was, sinds 'k door haar het lachen liet.
Maar sterk mijn droefheid, sterk mijn eigen trouw,
   en diep de pijn, dat zij mij lachen ried.

Toen bleef door 't droomspel van den ganschen nacht
   die oude smart mij bij, haar bitterheid
heb ik in veel gepeinzen overdacht.

Ontwakend, heb ik mij verbaasd, hoe wreed
   de ziel onwetend in zichzelven snijdt
en 't eigen teeder weefsel diep ontleedt.

(1889)


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 24.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster