Frederik van Eeden

Het Vizioen in Spanje.

Goed Holland's hemel leek laag en bleek,
toen ging ik van huis, alleen, en week
naar landen ver-weg gelegen
waar geen nevel is en geen regen.

Daar viel in mijn oogen, dien glans ontwend,
verblindend het blauw van de luchte-tent --
mijn lijf dronk het zongoud en diep azuur,
mijn ooren ruischten, mijn bloed was vuur.

Dë anjer brandt rood in het donker haar,
schoon zijn de menschen met trotsch gebaar,
ik wil dat hun oogen mij vriendelijk zijn.
Hoe heb ik geleefd zonder zonneschijn!

Door oleander en roze omringd,
wil ik zingen den zang die men wiegelend zingt,
het hoofd achterover, dë oogen loom,
van lust en kleuren en zwaar aroom. 26

* * *

Toen zag ik op, en zag een schoon gezicht: --
daar rees heel ver in scheemrig morgenlicht --
't verschiet was violet, de lucht teer-grijs --
een schoon matgoud en zilverwit paleis.

Ik zag abeele_en wilgenloover, frisch-
zilverig blikkrend als een witte visch
die wendt in 't water, -- en de peppels staan
zwaaien in wind, met wijd gehouden blaan.

Vóór zag ik water en veel bleekgroen riet
waarover 't waaien zilver glijden liet,
en blanke vonken dansten op en neer
zacht op en neer, op het zachtgolvend meer.

Dan kwam een weiland, 't schelste groen van al,
met witte en gele bloemen overal,
ook die bewogen met het windgetij
en knikten door elkaar in 't gras der wei.

Boven al uit rees 't wonderschoone huis,
't stond vast en stil in wind en loofgeruisch,
het dak bleek-goud, de muren zilver-blank,
daartegen klom zacht-roode wingert-rank. 27

Veel grijze duiven vlogen af en aan,
en spreeuwen zwart, wier fluite ik kon verstaan.
De zon ging rijzen en haar roode brand
gloeide door 't waas op gouden gevelrand.

In bloemen, bloemen stond het gansch gebouw,
'k zag winden wit en rose_en donkerblauw,
en zonnebloemen, vlammend geel om zwart,
en paarschë asters met oranje hart.

* * *

Ik zag 't maar kort, doch scherp en wonder-klaar
'k wist het een schijn, doch voor alle eeuwen waar,
'k herkende 't land, en wist met één waar heeft
mijn lijf zijn thuis voor goed, zoolang het leeft.

(1889)


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 25-27.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster