Frederik van Eeden

Aan Mijne Liefde.

O Gij die geeft aan de harten de pijniging,
heb ik verlaten de weg die ter reiniging
   alle geduldigen leidt?
Heb ik geglimlacht, midden in droefenis,
heb ik gelachten, meer dan 't behoeven is,
   in uw beminnelijkheid? --
in 't zacht gelaat --
         van uw beminnelijkheid?

Had ik verheugen waar jammer en leugen is?
Ach, in mijn hart was een lach en een heugenis
   dat gij den lach hebt geduld --
omdat gij schoon zijt, omdat gij heerlijk zijt,
omdat gij donkerten mijner begeerigheid
   alle met licht hebt gevuld --
allen, allen
   met uw sterk licht hebt gevuld.

Midden in jammer, -- midde' in ellendigheid
had ik verlustiging in uw bestendigheid,
   in uw bizondere macht --
Niets zijn genietingen mijner afzondering --
al mijn verblijen is vreugd van bewondering
   voor uw volkomene pracht --
mijn oogen glanzen
         om uw volkomene pracht.

Gij bracht der heuvelen avond-verteedering,
vreugd in der hemelen roode bevedering,
   vrede_aan de brandende zee --
Maar alle zegening laat gij ontrouwe zijn --
schoon voor uw lippen mijn handen gevouwen zijn
   van onuitsprekelijk wee --
voor uw dichten mond --
         van onuitsprekelijk wee.

(1893)


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 32-33.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster