Frederik van Eeden

Wandeling.

Zou ik het niet loven, dit zeldzame bestaan
   dat ik moet lieven Eéne_en niet verandren?
Door hoeveel lange lanen heb ik moeten gaan
   van al maar zwarte sparren naast elkandren,
van donkre cipresse_en mirten-hagen
      en van fletse_oleandren.

En toch ben ik door alle schaduw heengebracht,
   door spookdroomen en eentoonige dagen,
vele licht-zilveren melodiën heb ik gedacht
   midden in winden van grauw weeklagen.
Licht, koel, bleef d' eeuwge hemel zonneklaar
      boven wolkige vlagen.

Zoo moet ik alles wel loven wat ik zie
   als een groot, vreemd stormlandschap ònder haar.
Want het is een niet te breken harmonie
   van klacht purper en witte lust zonderbaar.
Ook wat al paarsch gebloemt zag ik gedijen,
      vlinderzacht, wonderbaar.

En het wees toch alles maar Eéne, Eéne --
   toen kwam ik in groene lust-warand van lijen,
wandlend tusschen smart-klokjes blauw, maar geene
   of 't had dat fijn aroma van verblijen.
En ik zag achter geweldige bergen verre
      de sterren glijen.

(1894)


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 34-35.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster