Frederik van Eeden

Onze Tijd.

Stem.

Verward geslacht, dat in uw stroom en troeble driften smoort
der schoonheid bloei en 't blank geluid van sterk en ernstig woord,
dat d'eigen oorsprong niet meer kent, en 't eigen best verzaakt
en van uw wonderschoone woon een grimmig werkhuis maakt,
dat vecht om winst en plat geneucht en kent de wijding niet
dat lacht om heiligheid en schreit om zelfgesticht verdriet,
dat leeft in aldoor enger kring, als in haar web de spin
van nietigheid op nietigheid, de zelfzucht loert midd' in,
dat weeft een weten zonder doel, en uw geweld'ge macht
verspilt aan glorieloos genot en klatergouden pracht,
dat treedt den diamant in 't zand en blikkert met wat glas,
ziet toe! wat valt aan zuiverheid te redden uit 't moeras.

Tegenstem.

Hoe zijn de tijden zonder glans! hoe leit de schoonheid wond
aan ploertigheids vervaarlijk kruis genageld voor den grond!
De grauwe steden dijen uit d'eenvormig droeven bouw
de zwarte rook bevuilt het kruid der groenende landouw,
waar eens de blije leeuwrik steeg in zuivre morgenlucht
woelt 't gore volk in straat en steeg vol stank en grof gerucht.
Der aarde heer en doet geen eer den schooneren vassal
in armoe laag, in weelde dwaas, en leelijk overal,
in gang en staat, in woon en waad gelijklijk zonder zwier,
geen vogelken dat buiten woont of 't is een fraaier dier,
geen bloemken of 't heeft mooier tooi, geen redeloos geslacht
zoo 't vrijheid heeft, niet eedler leeft, naar zijn geringer kracht.

Dubbelstem.

Toch wint de zachte liefde veld, en dieper vree beheert
de volken, wier bestendig goed aan kennis àl vermeert.
't Licht des verstands schijnt overal, der zeden ruwheid slijt,
al wat er leven zoekt houdt saam in breeder teederheid.
O vrede, meest begeerde goed, verdooft gij dan den schijn
des levens, dat 't inwendig Licht te helderder zal zijn?
Strijkt dan uw adem effenend al 't schoon bewoog'ne strak,
vleit gij de lichte heffingen der schitter-zeeën vlak?

Rei.

   Schoon is der golven wilde wiegeling,
hun witte schuimen en hoog-fonklend slaan, --
   Schooner van glad-geleiden oceaan
         de wijde spiegeling
waarin de hemelen alom weerblonken staan.

   Schoon is d'ontroering en de huivering,
't rijzen der driften en hun bangen val.
Maar schooner is 't wat vrede brengen zal:
         d'eeuwige zuivering,
maakt alle leven sober als een klaar kristal.

   Volgt dan de stemmen der eenvoudigen,
verward geslacht van moede_en glansloos woord!
't leeft eeuwig wat gij nog als fabel hoort,
         ééns rijze 't goudige
getij van schooner zijn dan schijn die nu bekoort.

(1896)


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 39-41.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster