Frederik van Eeden

De Regen.

   Voor 't oud buitenhuis zat ik rustig
in de_open glasdeuren, op grauwsteenen kozijn,
   binnen wist ik lieve vrienden lustig,
en der Liefst' alles-wijdende presentie -
   over 't glooyend grasvlak tot des wouds rand
zag ik heet-koele zomer-morgenschijn,
   en de vruchtboomen in den zonne-brand.
Duiven tripten om mijn voete' in 't zand.

   Toen kwam de wolk-schaduw. Des Algoeden intentie
voelde_ik als nooit te voor, -- die den Regen geeft.
   en des vallenden waters wondere clementie,
als het in flikkerend omlaag-gezondene
   lijnen 't azuur en den zonneglans snijdt,
en mild schitterend uit den hemel zweeft,
   hechtend zich op blad en bodem spreidt
      overal lavende vochtigheid.

         Toen kwam het Eéne, nooit ondervondene: --
      uit de kamer stroomde_in glazig helder spel
         de door Bach zoo wonder verwondene
      geluiden-stroom van rustlooze devotie --
En als twee schoone vogels vloog 't eene_en 't andre ding
      in mijn ziel-sfeer tot samenvlucht snel:
   des kalm-ruischenden Regens zijgende zegening,
   der melodieën blij-reiend gezing,

         tot blinkend feest en hoogtij van emotie.

(1898)


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 37-38.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster