Frederik van Eeden

Twaalf Sonnetten.

I.

   Trouwe gezellin, die den bangen tocht
met mij bestaat, over de grauwe heuvlen
   van 't neevlig leven -- die in zwartste krocht
mijn hand niet loslaat, -- waar bezij ons sneuvlen

   volsterken, min gesteund, door 't kwaad gedrocht
der waan vermand, -- maar wij bij staag, zacht keuv'len
   bittere_ellenden hebben overbrocht, --
O, zuster, die kent mijn verborgenste_euv'len,

   pleegster in krankheid, wie ik wond noch schand
verbergen hoef, nog gij mij -- daar mijn lijden
   mijn zwakte d' uwë is, als d' uwe mijn, --

   Gedenk mijn woord, altijdig, dat wij zijn
vereend almachtig, door geen macht te scheiden
   en zege-vast, al beeft mijn koude hand. 43

II.

   Men klaagt van gruwlen en ijsbaarlijk leed
bij oorlog, oproer, moord en bloed'ge rampen
en noemt bij 't zwichten in zoo grove kampen
   den Stichter dezer strijdbre Wereld wreed.

   Ach zusterken, dat alle wegen weet
door zwaarmoeds vale dal, waar onze lampen
elkander zochte_in giftig dichte dampen,
   't lijkt óns maar licht, wat dezen donker heet.

   Wij noemden 't glorie, waar hun weeklacht galmt,
wij dankten uitkomst, waar zij gaan vertwijflen,
   onnoodig schijnt ons dat vervaard gehijg.

   Wij kennen wreeder, doodsbenauwder krijg
in doodschen nacht, waar spook'ge monsters sijflen
wier stikkende_âam ontastbaar ons omwalmt. 44

III.

   't Onwrikbare gericht dat elk zijn maat
aan weedom toeweegt, die hij heeft te torschen,
   tot Gods gerief en eigen hoogsten baat --
't zij hij 't beseft en heldhaft draagt met forschen

   nek 't hoog gebod van ondoorgrondbren raad,
hetzij hij in vertwijfling krijt om schorsen,
of vloekend krimpt, lafhartig, of met norschen
   hoogmoed des folters zegen niet verstaat, --

   het deed ú, teerste_en edelste, 't gewicht --
zwaarder dan dood, dan alle denkbre plagen, --
   der duistre, vlijmende melancholie --

mij haat-om-liefde_en harden zelfstrijd dragen.
   Wij strengelden de handen saam, nu zie
'k mijn goedheid groeien, -- gij 't barmhartig Licht. 45

IV.

   Tot smarten-zanger ben ik niet geboren,
't en ware_om ú. -- Ik heb het vreugdlicht lief,
ik kon 't zwaar leven met een sterk statief
   van vast, elastisch vreugde-willen schoren,

   waar 't niet om ú. -- Om ú, zusterken lief,
die liever mij dan vreugd zijt, heb 'k verkoren
tot bruigomskrans dien scherpen kroon van doren,
   der weemoed zwaarte_en stadig ongerief.

Doch dit 's niet om te klagen, want wij beiden
   wisselden zoet om bittre wijsheid uit.

Wat eedler gave bracht den man de bruid
   dan 't godd'lijk kleinood van verreinend lijden?

En tot de doodsrust mijn moede_oogen sluit
   danken ze_u voor de tranen die ze schreiden. 46

V.

   Wacht niet, als een tooneelscherm opgeschoven,
't verzwinden aller raadselen, 't zwart verhang
van waan verwolkt, en 't plots met vollen drang
   toestroomend heil uit open hemelhoven.

   Zuster, de weg ter heiliging is lang.
Hij stijgt en daalt, verman u, en blijf loven
   wanneer de wande_in licht-versloten kloven
weerhallen zacht echo van engelzang

   eenmaal verrukt gedronke_op lichten top.
Wij kunne_in 't ijle_en eeuw'ge nog niet leven
   nog niet op stille, zondelooze zwingen

   van kruin tot kruin door zuiv'ren aether zweven.
Maar daal getroost -- wij beure_uit dofste kringen
   den onvernietigbaren licht-wil op. 47

VI.

   Toen ze hun bittren haat blindweg gespogen
hebben in blankste kaam'ren van mijn hart --
ik voelde 't gif als rot bloed, stinkend, zwart,
   koud-bijtend druipe_op handen, hoofd en oogen.

   zóó zat ik stil en duldde, diep benard
ziend naar die goeden, die onrecht en logen
blijde_als een heiligende spijs gedoogen,
   stil, door geen kwaad tot eender kwaad getart --

   toen waart gij troost, maar niet door lief gevlei,
gij zweegt en leedt, en 'k wist hoe er geen heul
   voor snoodheid is in menschlijk medelij, --

   maar als een die neerknielend, niet den beul
ziet, maar glimlachend, verrer sterren baan --
   zag 'k uw zacht-lichtend, ernstig wezen aan. 48

VII.

   Wel schijnt, met zijn klein-rustige genuchten,
voor kinderoog het onze_een kalm bestaan,
daar wij zoo veilig onder menschen gaan
   en onze woningen in de gehuchten

   als goê geburen tusschen de_andren staan.
Maar wee! 't weegt als een last, zwaar, niet te_ontvluchten
want óns oog is voor des verderfs geduchte
   afgronden onder hen open-gegaan,

voor hol gekonkel en doemwaard'ge broodnijd
   waarop de bouw dier vooze schijnvree rust.

Wij voelen het smoren van des menschen grootheid
   onder dien schimmelgroei van kleine lust.

Wij zien alom den jammerlijken doodstrijd
   van schooner aanzijn, machtloos, onbewust. 49

VIII.

   Des te vervarelijker uit die vree,
banger door stilheid van aardsche gevaren,
doemt, als een grauw spookschip uit mist'ge baren,
   als hooge rotskust uit verstilde zee,

het hoog geheim des Doods, Star-oogend staren
   wij in den kolk van grondloos wereld-wee
   en peile_ons zelf. Weerspannig of gedwee
wij moeten 't duistre metterdaad ervaren.

   Geen licht, geen licht, verstorven lijkt de nacht,
geen fluistring suist, geen schemer richt ons tasten,
   't zweept ons al dieper, dieper voort in 't zwart.

   Zal ik niet vreezen, zuster, blijf met vasten
greep mijn hand houden, dat 'k aldoor het zacht
   samenslaan voelen blijf van beider hart. 50

IX.

   Maar dat dit ééns één onzer moet gebeuren
te_omklemme_een hand waarin geen pols meer slaat,
te vinden 's andren allerliefst gelaat
   'n koelig strak masker met vervaagde kleuren --

   en dán 't besef dat 't eigen bloed nog gaat,
dat 't geen genade-slag is, maar verscheuren,
dat nog een rei verwezen dagen heuren
   dom'ligen omgang te voltrekken staat. --

   dan nóg in God den goeden Vader zien,
't afzijn van zijn inwendig licht gehengen,
't leven, der raadslen raadsel, niet te_ontvlien,
   de morgens met een mild geduld verbrengen . . .

dat 's zwart waarbij diepst nacht-zwart luister is,
huiver-diep, duizel-diepe duisternis. 51

X.

   De nacht, die 't helderschouwend oog ontzet, --
waar dit, het eeuw'ge_onafgewend betrachtend,
boort door schoon wolkfloers, dat den nacht verzachtend
   vrij vérzicht in d' onmeetlijkheden let,

   waar 't vizioenen scheurt en troost niet achtend,
God schroomloos zoekt in zijn gestrengste Wet --
die nacht richt veiliger des pelgrims tred
   dan zoeter droomen glans, waarheid verkrachtend.

   Het vroom verstand dat geen begoochling duldt,
noch der illuzie zinlijke verkwikking
waarin God niet kan zijn, -- draagt de verschrikking
   van Zijn oneindig duister met geduld,

en weet, door intellects onwrikbre schikking,
   ook waar God zwijgt, zich van Gods macht vervuld. 52

XI.

   Hij heeft zich lieflijk aan osn voorgedaan,
toen Hij ons saambracht, als barmhartig Brenger
van onverwelkbaar heil, als milde Plenger
   van lente-licht en rege' op groene blaan,

   zóó riep Hij ons tot zich op hooge baan,
maar onder 't gaan werd zijn gelaat gestrenger,
toen werd Hij d' onverbidlijke_en de Zenger
   van alle schoonheên die in tijd bestaan.

Maar zooals wij niet droomden, toen wij vonden
   elkanders hart, wat weedom 't voor ons borg,
   en toch nooit rouwen om die dierbre zorg,
zoo blijven wij, trots al, aan Hem verbonden,
daar voor Zijn toorn 't beproefd hart niet versaagt
dat heugnis Zijner lieflijkheden draagt. 53

XII.

Zie 't kind, dat leidt zoo luchtigjes 't vervaarlijk
   bestaan, en speelt van trouwen en van dood,
   't vleit zoo vertrouwlijk zich op donkren schoot
van 't vreemde Leven, trouwloos en gevaarlijk.

Zie 't dier, dat achtloos moordt, diep door zijn snood
   bedrijf voldaan. Hoe roert het wonderbaarlijk
   met afgunst en met deernis óns, die zwaarlijk
dragen der blindheid en der zonden nood.

Want zie, wij stegen tot een breeder leven
   ter nauwernoo voor ijler sfeer gehard,
al hoogerë erkentenissen geven
   ons jeugdig, vlinderteeder weefsel smart,
   doch die gaat bóven waan -- en ons verwart
nijd om dier andren ongevoel maar éven.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 42-53.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster