Frederik van Eeden

God en Mensch.

I.

Aanhoort mijn lied, gij kindre' en wankelt niet.
Mijn hart beeft en mijn zinnen zijn onstaag
maar zie, hoe 'k op mijn sidderende palmen
   roerlooze vlammen draag.
Wantrouw mijn hart, -- wantrouw de klanken niet,
waaraan ik Gods stem kenne_in mijnen nacht.
In mijn moe lijdzaam hoofd galmen de psalmen
   met eigen macht.
Kindren der aard, aanhoort mijn Danke-lied. 62

II.

Ik ben een zinkend wrak, van zonden zwaar,
ik ben een vogel in de strikken vast,
een drenkling naakt, mijn nagels bloede' op rotsen,
't water der eeuwen wast.
O dat mijn land, mijn God gevonden waar!
Zoo schreeuwt mijn mond en mijn hart is zeer bang
maar dóór mijn schreeuwen en het golve-klotsen
   hoor ik een zang
zingen des Eeuwgen hoogheid wonderbaar. 63

III.

O Koning, O mijn Koning wonnerijk!
Zijt gij nabij mij, en ik speure U niet?
In hart noch hemel kon 'k U zóó bemerken
als 't oog den morgen ziet.
Toch welt uw Gouden zegen, bron-gelijk
ondanks mijzelf, uit mijn Zelfs zwarten grond
en groeit, zooals de_uit licht gebouwde werken
   der morgenstond
Is dan nabij, mijn Vorst, uw Zonnerijk? 64

IV.

O Vader, die gestaag ons armen ziet,
ook als we slapen op beschreide peul,
een wijl getroost in schaduw van den dood, --
Gij strekt geen hand tot heul.
Of dan geen Engel tot erbarmen ried?
De moeder worgt haar hulpelooze kind,
de rijke zwelgt van des ellend'gen brood,
   Gij wentelt blind
Uw groote zonne' en acht der jammren niet. 65

V.

Geweldige, die het wicht der Zonnen schraagt,
die vast den lichtbaan Uws oneind'gen Al's
beschrijdt met gouden schreden van Aeonen,
die om Uw hoofd en hals
voor tooi-krans de gesternten omme draagt,
mag dan uw mildheid en volmaakte Macht
't geduld mijns hongerigen monds niet loonen,
die nacht -- aan nacht --
één fluistrend liefde-woord weeromme vraagt? 66

VI.

Mijn is die vreemde, wreede zingenskracht
die heim'lijk als electrisch vuur zich gaart,
dan barst tot gloed, midde' uit ong'loovig zwijgen,
die nacht noch moeheid spaart.
Die 'k nooit voorzie, vergeefs te dwingen tracht,
die, waar mijn hart verdort in duisternis
en mijn gedachte' als rotte loovers zijgen,
tergend gewis
Gods eeren uitjuicht en der dingen pracht. 67

VII.

In wolken en in bloemen zoek ik U.
Ik zoek U in den opgedolven grond
als ik den ploeg drijf, 'k luister naar Uw spreken
bij 't sterven van mijn hond.
In diepten mijner droomen zoek ik U.
En mijn gelaat glanst in den jongen dag
als 'k in het droomspel één onschijnbaar teeken
Uws wezens zag.
In 't zwart tusschen de sterren zoek ik U. 68

VIII.

Gij zijt Drievoud, en met drievouden Zang
verlicht Uw lof en kennis mijnen mond.
Eén is de Smartendulder, bleek van weening,
bloedend uit wond bij wond.
Twee gaat gestreng der tijden gouden gang
brekend de volken voor zijn tred als riet,
maar Drie is aller innigheid vereening --
liever is niet
zuigkindjens donzen kopje_aan ouder-wang. 69

IX.

Dank! Dank! U! schenker van waarachtigheid!
Ik hou bei' handen tot een beker op
en voel uit wondre Wel aandachtig vallen
uw Waarheid drop na drop,
laving der ziele die onmachtig leit.
Ik hoef geen zoet, geef mij dat heldre slechts,
dat is als water koel en gansch kristallen,
Vader des Rechts!
Die mijner nooden wèl gedachtig zijt. 70

X.

Driewelvig huis, driewerf-betoorn'de kerk,
Orakel-drievoet, Lichtgod's gulden troon,
rijm-bevlagd driemast-schip, met roem drievuldig
van Vader, Geest en Zoon,
sterk Vers diep bloedend uit het doornen-merk
des kroons, gevlochte' uit deernis, schuld en hoon,
Schepselken mijn, waarmee 'k mijn Schepper huldig
hoe sterkt Zijn Schoon
mijn brooze hart, bij 't Hem behoorend werk. 71

XI.

Alnachtlijks, voor des sluimers deuren staand,
gedenkt mijn ziel, in wondring, wijl zij wacht,
hoe die eens worden achter haar geloken
voor altoos, -- eenen nacht
elke' avond nader -- straks gebeuren gaand.
Ach, eenzame, hoe vindt zij dan haar pad,
van warmte en klank en alle licht verstoken,
naar d'eeuw'ge Stad
in glans van duizend nieuwe kleuren staand. 72

XII.

Ik moet voor U heel klein, heel klein me maken,
week als een jong konijntje_in menschenhand,
dat zich niet roert in d'overmacht'ge hoede,
   dan zal uw wereldbrand
niet meer vermogen 't bevend hart te blaken.
Diep weggedoken in Uw heil'gen schoot
ontgaat mijn licht 't stormwerv'len Uwer woede,
   en ook de Dood
kan 't zwak, stil-glanzend vonkjen niet genaken. 73

XIII.

IJl, wichtloos vonkjen, helle werveling,
Geest, die dit lijf als woon en werktuig richt,
en schijnt, een vreemd, opmerkzaam gast, te toeven
   hier achter dit gezicht, --
waar zoudt gij blijven als het sterven ging?
Zult gij, inkeerend in uw grondloos welf
waar ruimte wegzijgt, oogen niet behoeven?
   Eenzame Zelf!
Hoe zult gij dan nog weenen, zwerveling? 74

XIV.

Heer, zoo ik leve, wen volstreden heeft
dit lijf zijn kamp, om U, door leed en lust,
hoe zal ik, oore_en oogenloos, volharden,
daar toch mijn ziel niet rust
te zoeken Hem, dien z'eens beleden heeft?
Dan zal mijn vuur'ge wil, als 't lijf verkilt,
formeeren nieuwe leên voor de verstarden,
   nimmer gestild
tot hij uw lichten hof betreden heeft. 75

XV.

Gij Diamanten en gij Flonkergoud,
gij sneeuw'ge wolken en azuren sfeer,
Gij purpre bloemen, zoete vogelstemmen,
   uitschittert niet mijn Heer
al uwer schoonheên schoonste honderdvoud?
   Nu maakt uw sprakelooze pracht mij moe,
en tergt mijn zinnen met een leeg beklemmen,
   ik té zeer doe
begeeren Hem, die zich verdonkerd houdt. 76

XVI.

Dit is de straf, die ter ontzondiging
Gij den in uwen toorn verzonk'ne zendt,
Schoon hij u wil met reikende arme' erkennen,
   dat nooit zijn lichaam kent
van uw nabijheid de Verkondiging
Mijn Wreede! dien ik blind'lings lieven leer,
Zal booze schijn dan steeds uw Glorie schennen?
   voelt nimmermeer
mijn lijf Uw glimlach, eer 't te gronde ging? 77

XVII.

Met Uw zwaarst morselende slagen sla mij,
dit vraag ik, God, en 'k weet wat ik begeer.
Verbrijzel mijn gebeente, zoo ik vinde
   't ontastbaar Licht të eer,
zoo in genadeloosheid Uw genâ zij.
Spaar mij dan niet, ik schreie_ook om respijt,
'k weet dat Gij, eeuw'ge Lichtkern, in mij, blinde
   ondoofbaar zijt.
Maar tot het laatst ter mijner zijde sta mij. 78

XVIII.

Ook Hiob niet heeft al Uw grim ervaren,
toorn-machtig God, die voor geen gruwel schroomt,
die met één vlam-vlaag van uw zonne-haard
   dier, menschdom en geboomt
van 't aard-gelaat kan vage_als winterblaren.
Gij kunt ook kwellen in subtijlheid fel
met zwaarmoed die het duldzaamst hart vervaart,
   in heller hel
kan ons beangstigd lichaam nimmer staren. 79

XIX.

Wondere Liefde, o wondere Liefde. --
Men spotlacht en begrinst uw heilig woord,
toch wordt, nu 'k zacht d'aandacht op U blijft richten,
   Uw mildheid niet verstoord,
Wondere Liefde, o wondere Liefde. --
Ik docht u ver, doch zie, gij waart nabij,
Uw adem waait, uw minnelachjes lichten,
   Nu drenkt gij mij,
Wondere Liefde, o wondere Liefde. -- 80

XX.

Een vloot zwaar-drachtige drieboorden vaart
mijn loflied statig zang voor zang naar zee.
Zij kent de stroomingen, zij kent de klippen,
Zij zoekt haar stille ree,
den storm niet vreezend die van 't Noorden vaart.
Ai, zeil getroost, u leidt een richtvuur Gods,
ten haven uit van mijn beschroomde lippen,
't koud oog ten trots
dat onbewogen op uw woorden staart.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 59-80.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster