Frederik van Eeden

Aarde.

[Gaia dea mètèr].

I.

Nu keer ik weer tot uw vertrouwelijkheid,
duldende moeder, menschendragende_aard,
die gaaft de spijziging, die naamt de lijven,
die vreugd en herberg waart
't hoovaardig kroost, vervreemd in grouwlijkheid.
'k Lig aan uw borst, ik drink uw zoeten âam,
wij zullen moer en kind voor immer blijven,
te sterker saam
míjn strijd'bre kracht, úw milde vrouwlijkheid. 84

II.

Ik wil u oud gelaat herbloeien doen
in jonge pracht van dier en bloem en plant,
mijn hart ging hoog toen 'k in de lange voren
   den ploeg dreef met mijn hand,
waar gij uw gouden gaaf zult groeien doen.
Wee! wie uw schoon door vooze kunst ontooit,
nu zult gij mij, ik u, voor goed behooren,
   wij scheiden nooit
tot gij zacht rusten zult den moeien doen. 85

III.

Laat bij mijn hut in 't bosch mijn groeve zijn.
Daar ken ik de_aarde_en is zij mij zoo na.
Laat daar haar koel zoetgeur'ge last licht dekken
mijn lijk in linnen wa.
Laat daar dan niemand weene' of droeve zijn.
Maar 's nachts bij toorts-schijn en dennen-gesuis
voer men mij stil, als vreezend mij te wekken
in 't laatste huis.
Dit strek ten uiterste behoeve mijn. 86

IV.

Neen, prijst den Dood niet, die met vinn'ge nijd
de kleuren wegsluit en den lofzang keert,
snijdend in teer naar God gestrekte ranken,
   wiens ruwe handen weert
wijsheid des mans, noch 's kinds aanminnigheid.
Vreest niet, vrees is des Duivels, wat vermag
Dood over 't eeuwig schoon van licht en klanken,
   maar zoekt den Dag
en 't Leven en elkanders innigheid. 87

V.

Vogelkens mijn, vogelkens fijn en vlugjes
die om mijn hut in 't naald-loof tjilpt en krieuwt,
die mijn ontwakens-vreugd met uw geruchtjens
elk' nieuwen dag vernieuwt
als 't morgenlicht verguldt uw kleine rugjens.
Lucht volkjen, lustig trots gestaag gevaar,
nooit rouwvol over 't lot van rupse' en mugjens,
elk' ochtend klaar
tot uwen wildzang, liefst' van mijn genuchtjens. 88

VI.

Blauw flonkerglanzen mijn be-ijsde ruitjes
van maanlicht en het bosch rondom is stil.
Ik lig alleen en wakend midde' in 't doode
met mijnen warmen wil.
Nu slapen ál mijn vroolijke kornuitjes
de vogelkens, verkleumd, het kopje_in dons,
't konijntje in 't hol vlak naast me roert zich noode
   geen vlieg-gegons --
geen takjen knapt, verstijfd zijn àl geluidjes. 89

VII.

Het zijn de rosse nachtgeneuchten niet,
het zijn niet de koortsgloriën des wijns
noch 't kleurig schijn-tooneel dat moet vertroosten
   armoe des valen zijns.
Het zijn de lamp-vergulde vreugden niet. --
Maar o! de waterdronk na 't werk op 't veld!
en o! 't uittreden in den dag, als 't oosten
   zich kalm verhelt
   en 't minlijk licht àl de_aard verjeugden hiet. 90

VIII.

In aarde's arm bij mos en dennen leef ik
mijn eerste ontware is woudgeruisch, -- en 't lest
vóór slapengaan, blijft lang op blanke starren
   't verlangend oog gevest.
Rijke geheimen rondom bij me, weef ik
mijn leid-draad uit dit prachtig labyrint
en zie verheugd hoe zij met zacht ontwarren
   zich-zelve spint.
Den menschen 't woord, Gode_alleen aandacht geef ik 91

IX.

Zwart keverken bewandelt 't blanke blad
waar mijn gepeins kristalt in stille schrift,
en 't ziet niet dan wat donkere figuren
   waar ik met trage stift
te bergen zocht onschatb're klankenschat.
Gaat niet het menschken als dit beesken kleen
blind over groote, wondere schrifturen
   en vraagt elkeen
wien hij te aanbidden of te danken had? 92

X.

O lust en zegen dat ik leven mag!
nu rijst mijn levensweg in hoogsten bocht
   en 'k overschouw de schatten mij gegeven.
   O dat ik kennen mocht
de vreugd van zonlicht, 't droef van regendag!
O vreugden der ontwaring van Gods pracht!
Hoe heb 'k zoo angstig, met kleinmoedig beven
   de Smart betracht
toen 'k haar dit kleed van weelden weven zag. 93

XI.

't Park is met zacht, groen-glanzend mos bevloerd,
gansch met mei-looverkens bleekgroen besprinkt,
mei-klokjes staan weerszij van bocht'ge paden,
   in 't donker slootjen blinkt
de varen-stengel, langzaam los-gevoerd --
   Wel duizend, duizend vogelen rondom
zingen om 't schoonst en ritslen in de bladen,
   boom-reuzen stom
weren den wind, die even 't bosch beroert.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 81-93.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster