Frederik van Eeden

Jezus.

I.

Geen God, maar mensch, God's kind gelijk wij allen,
door waan omfloerst, maar stralend als nooit één,
gestaag, van overmenschlijk licht inwendig,
   met stille vaste schreên
wandlend op steile paden, waar wij vallen,
zijt gij mijn broeder, Jezus, en mijn vrind.
D' eeuwe' overbrugt uw lichtend woord bestendig.
   Altijdig vind
ik uw gestalt, erbarmrijk, nabij allen. 98

II.

Het is mij heden dat gij zijt gekruist
ik raak uw hand aan en ik zeg: "vandaag
leden wij veel" -- en zie! tweeduizend jaren
   staan als een stad omlaag,
hierboven wij, in wolken wijd-behuisd.
Lieve gestorv'ne, doe van mij die leeft
de liefde toch op dit stil veld bewaren.
   Door de_uren zweeft
mijn wil als wind die door de heide suist. 99

III.

Wat hebben ze_u, mijn vrind, niet aangedaan!
Het kruis was zwaar, de smaad voor liefde wreed,
maar 't hardst kwam na: de lasterlijke hulde,
   't om u gebrachte leed,
al d'ijdelheden, in uw naam begaan!
Ach arme_eenvoud'ge, die maar 't Godsrijk wou,
moet nu uw pronkig spotbeeld in 't vergulde
   tempelgebouw
met alle waereld-goden samenstaan? 100

IV.

Uw woord scheen als een witte bloem te ontgroeien
noodwendig uit een ondoorgrondb'ren grond.
Schoon duizendmaal gekrenkt, verplet, verreten,
   den wortel niemand schond,
en elk geslacht zag 't ongerept ontbloeien.
Doch wie 't herspreekt uit eigen kracht, helaas!
elk nieuw geslacht zal hem weer smalend heeten
   te grooter dwaas
naarmaat hij 't helderder in zich vond gloeien.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 95-100.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster