Frederik van Eeden

Nemesis.

   Wel aan nu, gij rijke, weent en huilt over uwe ellendigheden, die over u komen.
   . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
   Ziet het loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, 't welk van u verkort is, roept, en het geschrei dergenen die geoogst hebben is gekomen tot in de ooren des Heeren Sabaoth.
   Gij hebt lekker geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd.

Jacobus V.

I.

Arm schijnrijk volk dezer benarde landen
dat u verheft op uw berooiden staat,
dat op eerloos verkregen goed durft roemen,
   waar 't hoogst goed u ontgaat.
Arm menschje, dat mijn eer aan darde randen,
terwijl gij schoonheid, die van God is, smaadt.
Hoe waar mij roem, wat ik nooit mijn mocht noemen?
   Tot eer volstaat
de blanke spadë in verharde handen. 104

II.

Ik zie der naaste jaren sombere orde
als mannen met getrokken zwaard, ze staan
de vlammende oogen licht in de gelaten,
   wrekend gereed te slaan
op 't woord des Tijds, wat rot is en verworden.
Ik zie den Goudgod van zijn leugentroon
geslagen, stede_in puin, begraasde straten --
   Ik zie de schoon
groenende kiemen teer-bleek uit 't verdorde. 105

III.

Ik zie de kanker-builen onzer aard,
de steden, met een vlijmend mes gesneden.
Het vuil leekt uit, mijn hart walgt en ik wend,
   ijzend van 't liefdrijk wreede,
't oog af, als 't in de diepe wonde staart.
   Ik zie de grijs-asfalten pleinen woest,
d' uittocht van benden, gromlend in ellend,
   ik zie 't verroest
grimmig geraamt van groot station-gevaart. 106

IV.

Ik zie, o stad, uw grauw en knokig lijk
versombren gansch den gouden horizont.
Lichte_avend-vrede zegeviert er boven
   maar onder, mijle_in 't rond
liggen uw donkre schonken, spookgelijk.
't Monster is dood, er gloeit geen enkel licht,
geen rook walmt op, vergruisd licht huis en oven,
   't wereldgericht
brak voor altoos zijn trotsch, kwaadrokig rijk. 107

V.

Gij gladgeschoeid geparasold stadsmeisje
dat op bezoekjens tript, op dansjens springt,
dat lief in huis en zorgzaam op uw kleertjes
   piano-speelt en zingt --
ik denk, u ziend, aan een zachtzinnig sijsje,
in kooitjen rood, met vlerkjens groen en geel,
dat steeds tevree en proper op zijn veertjes,
   in een bordeel
zingt morge' en avond zijn onschuldig wijsje. 108

VI.

   't Geldschieters-volk dat van de boeren leeft
weet met zijn uitgemergeld heer van knechten,
   zich wel joyeus in geplaveide stad
      de tafel aan te rechten, --
welks klieken 't aan lakeie' en hoeren geeft. --
   Hun blanke en bruine slavenbende slooft,
sleept aan van uit heel d'aard der steden schat,
      en plaatst op 't hoofd
den voet der zwendlaars, die 't te voeren heeft. -- 109

VII.

Zie 't Hollandsch huisgezin om blankgedekten,
spijs-rijken disch in vrome vreedsaamheid;
de moeder glimlacht bij de pret der jong'ren,
   straks gaat met noesten vlijt
papa den koers becijfren der effecten, --
   En tot dier braven kalme welvaart heeft
over heel d' aard d' ellend'ge moeten hongren;
      van afval leeft
de naakte hindoe die hun 't brood verstrekte.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 101-109.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster