Frederik van Eeden

Het Zee-geruisch.

Het zee-geruisch zal ik nog dán gedenken
als diep in zand mijn hoorloos oor vergaat,
als lichten mild mijn oogen niet meer drenken,
als zonder woon mijn ijle wezen staat.

Naar 't zee-geruisch zal ik nog dán verlangen
als naar het liefst wat mij de wereld deê,
zij zingt den kroonzang aller wereld-zangen,
de-op zandig veld neerdonderende zee.

Verheugt u toch, gij die dit rijmken lezen
en nog in gloed der zonne wandlen meugt
de stranden langs, -- wen mijn verstorven wezen
reeds lang ontbeert wat 't zóózeer heeft verheugd.

Zegent dan uwe zinne' en uwen dag!
Ik die dit schreef; ging met een hart vol wonden,
handen vol euvel, ooren vol geklag,
en heb het leven toch zóó schoon gevonden.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 119.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster