Frederik van Eeden

Uitkomst.

Vaal licht hing druilig uit befloerste sferen,
   de regen ziemde jammerlijk gestaag,
   de donkere dag ging zonder troost omlaag
om droef als hij gekomen was te keeren.

   Wij zaten stil bijeen, in bange vraag
wat worden zou. Toen borst met plots verkeeren
   der zonne dondrend lichtlied door de laag
en zond in 't hart zijn felle gouden speren.

Van heerlijkheid werd 't kamerken vervuld,
   de handen vonde_elkander die niet dorsten,
de schuchtre monden raakte_elkander aan.

Toen is die nooit meer zwijgende vulkaan
van heldere verrukking òp-geborsten,
   van Vreugd wier gloed de diepste heemlen vult.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 122.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster