Frederik van Eeden

Hei-Leeuwerik.

Nu weet ik welke vogel
mijn lievlingsvogel heeten mag,
die even opgetogen
zingt zomernacht en winterdag.

Ik werkte 's winters in het woud,
de zon scheen door de denne-stammen
op fonkelsneeuw met rosse vlammen,
mijn hakmes blonk en klonk op 't hout.
Daar ging omhoog een kleine schelle
met fijnen lichtdoorwaaiden klank,
hei-leeuwerk's lied bleef mijn gezelle
den lieven morgen lank.

Weet gij den meinacht nog, mijn lief?
de maan scheen over 't land,
langs weien stil en nevel-wit
gingen wij hand in hand.
Weer luidde 't helle, helle, helle,
hoog boven bosch en hei.
De kleine schelle, schelle, schelle
ging onverpoosd en blij.

Nog maar sint onlangs ken ik hem
met zijn verrukte kleine stem,
zijn lichte, luchte jubelkreet
die van geen moeheid weet.

De morgenzon, de zomernacht,
de wind, de vrijheid zonder maat,
de lust die nimmermeer vergaat,
die heeft hij in zijn lied gebracht.

Het klinkt van uit de vage verte
alsof hij midden in 't gesternte
zijn zilvren klokjes luidt.

Wat zijn gelui beduidt
weten wij beiden, liefste mijn.
Zoo zal hij onze lievlingsvogel zijn.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 125-126.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster