Frederik van Eeden

De Rivier.

De zomerzon uit violetten damp
beglanst met koperrooden schijn
de blanke vloeden van den Rijn --
die gaan door 't volkrijk land
in bochten breed en machtig --
de stille boomen ter weerskant
staan aan den zacht-bewaasden zoom
te spieglen als in droom.

Des diepsten Zelfs indachtig
zie ik de groote pracht rondom --
zoek in der ziele kerngrond om,
't is daar al even prachtig.
   Wat kan er zijn
   nog bron van pijn?

Gij lieven allen die nog lijdt,
om mijnentwil in droefheid zijt
waar komt uw smart vandaan?
Waart gij maar diep, maar diep gegaan
   in allerdiepste diepten
des Zelfs, gij vondt er enkel pracht.
   Ik vond er enkel liefde.

Wat heeft u dan tot klacht gebracht?
   Bestaat er kwaad
   ook zonder haat?

Nu zie 'k der menschen wonderwerk
de grauwe, goud-bekruiste kerk,
een ruigt van spitsen, teer en sterk,
aan bleeken horizont.

O menschen, hoe hebt gij 't gedaan?
't Schoon wat ik in mijn binnenst vond
zie 'k heerlijk voor mij staan.

't Betrouwen op Gods liefde en recht
voor eeuwig, machtig uitgezegd
in prachtbouw, fijn en hecht.

Laat lieven allen u verblijen,
niet minder vast, niet minder schoon
staat in de ziel uw heil'ge woon.
Wat valt er nog te schreien?


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 127-128.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster