Frederik van Eeden

De Planeet.

   Blank-glanzende planeet
   betuurt aandachtig weder,
   strak-fonkelend en teeder,
mijn stillen avond-weg -- alsof zij weet --

   Gaat hare hooge baan,
   blij-bezig, zeer verheven,
   zelf wel vol moei-zaam leven,
doch ziet men 't haar sereenen blik niet aan.

   Stelt mij het hart gerust, --
   zóó hoog en zóó ontzachlijk! --
   Scheen 't al daar-even hachlijk,
mijn ziel nu glimlacht weer in milden lust.

   Haar scherp gekijk behaagt
   wie even klaar durft schouwen,
   wiens blik niet zal verflauwen
door 't lastig leven dat hij lachend draagt.

   Als zij, mijn glans-planeet,
   draag ik een volk van zorgen,
   toch vindt mij elke morgen
tot strengen gang in heldre vreugd gereed.

   Wat bergt zij, wonder-ster,
   voor vreemd, gestaltrijk woelen?
   Kent zij mijn licht bedoelen?
Eens ken ik 't hare -- als is zij nóg zoo ver.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 129-130.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster