Frederik van Eeden

Van de Passie-looze Lelie.

Een lied in Hebreeuwschen dicht-vorm.
Den eine Lilie blühet über Berg und Thal,
an allen Enden der Erde. Wer da suchet der
findet.
Boehme.

De Aanroep.

Aan de schimmen van Beethoven en Bach.

O mijn Broeders, en mijn Heiligen!
Mijn aldernaasten -- bij God mijn bemiddelaars.

Als een eenzame wijlt mijn ziel onder eenzamen,
wie onder de levenden kent mijn hart?

En God's aangezicht zal ik, levende, niet zien,
Zijn glans blijft mij onthouden, hoe ik bid.

Want mijn onvergolden schuld is nog te geweldig
en te machtig zijn om mij de handen mijner zonde.

Onder lig ik, als een worstelaar, 't gelaat op de aarde,
tusschen God en mij ligt mijn kwaad op mijn lenden.

Daarom roep ik u, mijn Broeders, mijn aldernaasten,
dat gij mijn roep opdraagt tot onzen God.

In de hallen des nachts stond ik en wrong mijn handen,
in de droomhallen, die ombuigen, dat men geen einde ziet. 136

En ik riep, maar mijn stem kon om hun hoogte de welvingen niet aanraken,
ik riep: "Bach!" en nogmaals riep ik: "Bach!"

Want ik zocht u, ik, de nog in den lijve levende,
ik zocht u, Broeders, die droomt in glansrijke eeuwigheid . . . .

Daar waar het gaan der dagen niet meer bemerkt wordt,
waar de eeuwen rondom staan als kaarse-vlammen om 't altaar,

waar gij zweeft in sferen wichtloos wilde ik komen
zachtkens, en op uw hart leggen mijn schuchtre handen.

Ik haat mijn lippen die dit gerucht maken,
ik verwerp deze onnut luidende woorden.

Want zij gaan onvast achter uw statige liederen,
als de stap eens doods-bedroefden achter de lijkbaar,

Omdat ik dronken ben van uw evenmaat,
en een geslagene door uw harmonieën.

Ach, wat is het spreken in beelden!
Wat is het doen luiden van lucht door keel of snaren!

Achter dat, diep daarachter is het onnoembare.
Wat is het? Wel u! gij zaligen, die het beseffen kunt.

Het is dansen, maar de dansers zijn er niet.
Het is bewegen, maar wie is 't die beweegt? 137

Het is spreken, maar wat wordt gezegd?
De ooren verstaan, 't hart schreit om méér verstand.

Ik riep in de droomhallen, maar er was niemand.
Ik ging eindloos voort, maar de vreemdsoortige steenen zwegen.

Toen keerde ik weder naar mijn slapende lijf,
ik zag het liggen, klam van gelatenheid.

En de dag wachtte, de koele, blanke jongeling,
Welgemoed wachtte de morgen, onverschillige cipier.

Maar somwijlen --
roep ik ze in mijn droom, de génieën des lieds,
de engelen die u dienden roep ik dan machtiglijk.

Ik roep ze en zij komen, en ze dienen ook mij,
zij zingen en bewegen hun bevallige handen.

Zoo weet gij dat ik uw broeder ben,
en gij wilt mij wel kennen, arm en klein als ik ben.

Schaamt u niet over mij, om dit stamelen,
veracht mij niet, omdat ik te zwijgen niet vermocht.

Hebt gij ook niet het alledaagsche gedaan?
Hebt gij van uw verachtelijk praten nooit gewalgd?

Nu zijn de woorden verwaaid als papier-asch,
maar in rein-gegloeid gouden vlechtwerk van melodieën ligt uwe ziel zacht gebed. 138

Om mijn naasten is 't dat ik spreken moet --
om den arme praat ik; die smacht en geen recht vindt,

om den arme wiens ziel verschrompelt in kommernis
om den rijke die zijn ziel vergiftigt met ongerechtigheid.

En ik praat, mijn hart ziedt, maar ik praat zachtkens,
ik leid mijn woorden, als een geduldig meester de kinderkens.

Met ijzeren toom houdt mijn liefde ze bedwongen,
ik schik ze bedachtzaam en vol zorg, want de arme smacht.

Een lantaarn open ik een handbreed voor der dwazen oogen,
honderd vuren bouw ik rond hen, en ze zeggen: "wie ziet er wat?"

Ik luid de noodklok boven hun hoofden,
den dolk der waarheid plant ik in hun borst.

In tranen buig ik mij tot hun zweren,
de kleeren mijner trots scheur ik, wijl zj naakt zijn.

Mjn stem is schor van zeggen en zij lachen,
mijn lippen beven, en zij roepen: "zing fraaier!"

Maar dan, o mijn Broeders,
dan, in de dagen van verbittering,
ontmoet ik een zachte vlaag uwer schoonheid,
uw geest die nog omwaart onder 't droeve geslacht.

Uw lied hebt gij scheidend den menschen gelaten,
in zwarte teekenen geboekt houden zij het. 139

Uit aldoor stinkender poel rijst het zuiverlijk,
overal leeft het, onaangetast, in zeeën van leelijkheid.

Als de roke eener veldbloem in vunze achterbuurt,
als een verdoolde vlinder in bloedig-donker slachthuis,

als het koeren eener woudduive in beurs-gezwatel,
als het donder-gromlen boven het gejoel eener dorpskermis.

Zoo blijft gij, herauten Gods, zijn heerlijkheid handhaven,
zijn licht doet gij eerbiedigen in helsche duisternis.

Waarlijk mag ik u heiligen noemen,
priesters noem ik u en bemiddelaars.

Zie de lieden saamkomen, hun denken is nietigheid,
hun hart is laf, hun ziel uitgedoofd, logen kwijlt hun mond.

Maar dan doen ze de doode teekenen leven
en Gods waarheid licht òp uit levenloos hout en snaren.

Al is hervonden voor een wijle, geloof en kennis,
weer weet ik, hoe alles goed is wat is, om Godswil.

Van uit uw doodsrust beweegt ge dan de levenden --
van uit uw zaligdom zendt gij de rozen uwer goedheid nog.

Met zacht verwonden windselen stelpt gij mijn bloeden,
liefelijk omstrengelen de melodieën mijne ziel. 140

De blinkende mantel van uw liefde opent wijd --
vertrouwelijk ligt mijn hoofd in uw schouderholte.

Waar de vloeren zijn, en de muren, en de banken,
waar al het geziene en getaste is, rondom,

daar is een andere wereld, terzelfde ure,
daar is een groote, wijde zee, terzelfder plaatse,

daarover zweef ik veilig, rondom in 't prachtige,
in gouden schoonheidslicht, werkelijker dan werkelijkheid.

Want deze leelijke wered is een bange droom,
het getaste en geziene is schim en ijdelheid,

maar de schoonheid staat er midden doorheen waarachtiglijk,
op deze plaatsen, waar wij zijn, bestaan wezenlijker dingen.

Wat is het dan toch dat spreekt? Van waar die stemmen?
Hoor ik er niet die elkander vragen en elkander antwoorden?

Gij zijt het niet, mijn Broeders, gij waart enkel, zij zijn velen,
gij spreekt één na d'ander, zij gelijkelijk, zonder verwarring.

Omspannen zij niet ruimte en tijd in gesloten hand?
Zien niet hun oogen de toekomst en elkanders harten?

Want hun stemmen worden tot één ding, zonder voorafspraak,
en sprekende, weet elk wat de ander zeggen zal. 141

Als dit niet het leven der engelen is, wat is het?
Door u spreken de gelukzaligen tot ons.

Hun kristallen woning staat vast en waarachtig
dwars door onze huizen en kamers, die vaag als damp zijn.

Hun glans-gestalten bewegen door onze lichamen
als stoomschepen door nevelen des morgens op vlakke zee.

Zie, ik word ouder, het weeke verhardt in mij,
vast en rimpelig word ik, als een jonge boom die hout maakt.

In mijnen groei volhard ik strammiger,
ik kan niet lenig meer zwiepen met den wind.

Maar mijn bloemen zijn fijn en zoet-rokig als van ouds
en al mijn bladeren lispelen even teeder in lauwen wind.

Zoodanig mijn stan gegroeid is kan ik niet meer veranderen,
het gekromde kan ik niet meer recht maken in mij.

Maar mijn levende twijgen bidden om vergeving, telken jare,
en mijn bladeren beweenen mijne zonde.

De eene mensch is mij zooveel liever niet meer dan de andere
en den weekhartige ben ik tot aanstoot.

Maar verder gaat de geur mijner bloemen,
verder gaan mijne zaden en mijn schaduwen. 142

Grooter zijn mijn verrukkingen
en het licht des hemels ken ik beter.

Zoo voert dan mijn stem op, gij machtigen in het licht,
wat ik fluister tegen de aarde, zingt het onzen Vader,

den dank uws broeders, die de lavingen geproefd heeft,
het zoet dat gij van Hem in mijnen mond hebt gelegd.

Vele schulden zijn mij kwijtgescholden
en uw bericht omtrent Zijn erbarmen heb ik verstaan.

Maar ook het brood des doods zou ik willens gegeten hebben,
volhardend in dankbaarheid.

Want ben ik niet Godes, God kennende?
En zal Hij zichzelven vernietigen?

Doch weest gij mijn fakkel, en mijn vóórspraak,
mijn adem, en mijn marmer-treden,

mijn licht-torens, mijn sterke schepen,
mijn beken langs den weg, mijn vertrouwelingen.

Want mijn ziel wijlt als eene eenzame onder eenzamen
en wie is er van de levenden die mijn hart kent? 143



Het Antwoord.

Hoe ben ik beschaamd, ik wou zacht spreken,
mijn waan brak, ik ben vernederd en zoo gelukkig.

Met gevouwen handen in mijnen schoot zat ik neer,
omhoog ziend als wie een schat kreeg uit den hemel.

Trotsert, zeide mijn hart, zul je wéér groot doen?
Zul je wéér spreken als een machtige over zichzelf?

Ik lig neergeslagen als het graanveld na slag-regen,
langzaam maar heft God's goede zon mij op.

Langzaam vervliegen in zijn licht de zware schitterende droppen,
de zoete tranen mijner vernedering.

Wat weten wij, dwalers, neuswijze kinderen,
wat kennen wij onzer eigene domeinen?

In wat woordpraal wanen we besloten onze ziel?
Een kind hoort wel de gansche zee zelf in een kinkhoorn. 144

Op ons onmetelijk wezen groeien de kleine gedachten,
zooals kleine kruiden en mos op eeuwige gebergten.

Luid verkonden wij onze meeningen en besluiten,
zeggend: "Ik ben, ik wil, ik weet, ik doe."

Maar het gevaarte onzes wezens weet hiervan niet.
Ziet men 't mos op de bergen, als ze strak blinken aan blauwen horizon?

Waar is ik? Wie is de ik-zeger die recht heeft?
Voorwaar, er zal geen ik-zegger zijn buiten God.

De mensch zegt: ik wil, maar in hem wil de Eeuwige.
Wie zijn Zelf vatten wil, zijn hand tast in de oneindigheid.

Inwaarts turend door-ijlt onze blik de grondlooze
in zich kokerende verschieten, al heller en inniger,
waaraan geen einde is.

Ik riep omhoog als een eenzame zonder verwachting --
Hoezeer heeft het antwoord mij beschaamd!

En ik zeide Gods aangezicht niet te zullen zien.
Ik keek op van 't geschrevene, en zie! waar was Hij niet?

Ik zag hem bij nacht en bij dag, in droom en waken.
Ik zag hem in 't wemelend water, in de grashalmen voor mijn venster.

Ik zag hem in 't licht der maan, ik zag hem in de duisternis
zijn antwoord was in 't vogelzingen, ik hoorde hem in de stilte. 145

In de eenzame stilte, als alleen 't bloed spreekt.
De vlinder heeft mij van Hem gesproken en de morgenzon.

De bevonkte hemelen antwoordden, de verbazenden.
De storm sprak, ook het fluisteren der liefste was van Hem.

Zie, der teere bloemen fijn uitgebeelde kleur-gedachten,
om Hem alleen zijn zij aanbiddelijk.

Ik wist het alles, maar ik wist het toch niet.
Want ik zoch Hem immers waar mijn oogen niet reiken.

Dwaas, die in 't ledig staarde!
Zijn volheid omringt mij toch als den visch het water.

Maar wij willen hem niet zoeken waar hij zich te kennen geeft.
Wij willen de hemelsche gloeden en de openbaringen terstond.

Het lofzingen zijner Engelen willen wij hooren,
Zijn lichttroon willen wij zien gevest in des Heelal's midden.

Met deze handen van vleesch willen wij het eeuwige tasten.
Ons bevredigt niet de vreugde van 't voorbijgaande.

Toch heeft hij ons alleen deze vreugden gegeven
opdat wij hem er in kennen zouden, en anders niet.

Hebben wij niet de lichte velden en het koele water,
de mooie bloemen naast ons en de geurige vruchten 146

de dieren met hun wonderbaar wezen, elk een schoon raadsel,
de geheimen der natuurkracht, zoet om te doorgronden,

de eindelooze ruimte vol werelden,
bevolkt met vreemde verbeeldingen

en het heerlijke begrip en de muziek
en elkander -- O de liefde hebben wij immers!

Daarin alleen vinden wij Hem,
overal waar vreugd zeer heerlijk is en verheven.

Waar wij lust vinden die sterker maakt en verheft,
waar wij de zielen voelen groeien en stijgen in vrede.

Want hij is licht en vreugderijk, zijn wezen is zaligheid,
smart is waar hij niet is, lijden is gebrek aan hem.

Daarom lijden zoozeer wie hem 't meest begeeren,
dan komt hij, hun heilige smart verkeerend in zaligheid.

Mijn hand trilt en van tranen zie ik 't geschrevene niet
omdat hij mij zeggen laat meer dan ik wist te weten,

omdat ik hem zoo goed kan noemen, die mij zoo geslagen heeft,
omdat ik, de met zooveel smart gezegende, hem zoo danken moet.

In den nacht heb ik wel getwijfeld, in de naargeestige uren,
maar hoe mijn gedachten zweven, mijn hand schrijft geloof. 147

Zijn stem gaat door mijn lippen, ze reinigend,
verkwikt sta ik op van 't schrijven, glanzend mijn oogen.

Wij hoogmoedigen twijfelen, omdat vreugden vlieden.
Is God dan in 't vergankelijke? -- En wat is er meer?

Maar de nederige leert zien hoe niets vergaat,
hij leert het altijd durende erkennen in 't vergankelijke.

De hoogmoedige vertrapt de teere schatten om hem,
door zijn vloeken hoort hij Gods zachte roepstem niet.

Maar wie de lijnen en kleuren eener bloem leerde liefhebben,
tot hem heeft God gesproken, als de meester tot een aandachtig kind.

En wie de schoonheid der avondstonden voelde tot hij schreide,
voorwaar! Gods eigen hand is hem zegenend op 't hoofd gelegd.

Maar wie verrukt is geweest door gansch onzelfzuchtige liefde,
die zijn evenmensch bemind heeft in festijnen van vreugde,

ja, hem heeft God zelf de lippen gekust,
hij heeft het vaderhart des eeuwigen voelen kloppen.

Weest toch niet bang en verlaat u maar, goed-willigen,
waar zeer groote vrede is en vreugde, daar vindt gij hem.

In heilige boeken heeft hij zijn wet doen staven,
maar in elk hart schreef Hij ze nog eens, méér kennelijk. 148

Met letters van lichtspreidende pijn,
vurige woorden van felle heerlijkheid.

Acht het niet, wat menschen goed noemen en wat slecht,
laat u niet medeslepen en niet verschrikken,

maar geeft acht op het innerlijk gericht,
vraagt de bevestiging van Gods eigen mond.

Hij spreekt zacht maar kennelijk,
aan sterke vreugde en rust zult gij zijn woorden kennen.

Doch hij spreekt niet tot wie zelfzuchtig is en bevreesd.
In den storm van hartstocht verstomt zijn geluid.

Door de poorten der vernedering komt hij ons hart binnen.
Vreest niets en verlangt niets en alles geeft hij u.

Laat los, bangelijken, open de krampachtige handen!
Laat los tijdelijk houvast, vertrouwt u moedig aan het eeuwige.

Volgt aandachtig en geduldig, ziet niet angstig achterom,
zoo gij dwaalt, Hij zal u door smart terechtwijzen.

Zoo gaat blij en onverschrokken, zijn heerlijkheden zoekend,
vreest zijn terechtwijzing niet, noch ontwijkt ze.

De menschen zullen u waarschuwen en haten
maar God zal u troost geven en macht over hun boosheid. 149

Gaat als een wandelaar, die 's morgens uittrekt naar mooie, onbekende landen,
gaat als een vogel die al zingende omhoog stijgt.

Hoe gemakkelijk is het zingen in den morgen
voor wie Gods lichte werken in zich heeft.

Hij vindt zonder zoeken, hij is echo van zijn stem,
hij vertelt het gebeurende als een blij kind.

De wonderen staan zoo duidelijk voor zijn oogen.
Zij zeggen: "hier ben ik!" noemend hunne naam.

Tot mooi-spreken spant hij zich niet,
zijn gedachten zijn gezangen, welluid is zijn zelf-gesprek.

De menschen verlieten mij, de een na den ander,
velen heb ik vriend genoemd. Waar zijn nu mijn vrienden?

Waar vind ik wijdheid van vertrouwen, dag aan dag?
Ook die mij 't zeerst liefhebben beklagen zich over mij.

Omdat ik nauwkeuriger acht geef op het waarachtige,
omdat ik stoutmoediger waag te doen wat mij recht schijnt.

Maar waarlijk de Eenige heeft mij niet teleurgesteld,
mijn ziel is gelaten, mijn geluk stijgt dag aan dag.

Toch heb ik nu eerst al mijn zonden gezien,
opdoemend als rotsen rondom een schip in nevel. 150

Daaraan moest ik te pletter gaan, dacht mij,
ik boog het hoofd geduldig, ik genoot den kwaden roep.

En zie! in veilige haven ben ik gevoerd,
rein ben ik, als toen ik gebaad was op den dag mijner geboorte.

O mijn Vader, vaak heb ik van wonderen gesproken,
hoe anders zijn ze, nu ik ze waarachtig gebeuren zie.

Zoo is het ontmoeten van wijdvermaarde menschen,
zij bedroeven de verwachting, maar de droefheid wordt beschaamd.

Onze denk-beelden zijn grof en ontoereikend,
maar het Zijnde is ontzachlijk en zeer subtiel.

Hoelang reeds niet weet ik wat wij noodig hebben!
Ik wist het immers toen ik als knaapje naar school ging?

Vrome wijsheid behoeven wij, maar wie kent den weg er heen?
Nu ik in mijnen middag sta, nu eerst ken ik den weg.

De morgen verging, het schoone leven neigde ten avond,
nog was de weg niet gevonden, en het doel zoo ver, zoo ver.

Nu is mijn tred vast, mijn ziel rustig --
maar ach! wie vergoedt den verloren tijd.

Nu weet ik hoe de vrome wijze te leven heeft,
zijn zwaren gang weet ik -- en zijn onvergelijkelijke zegeningen. 151

Nu weet ik waar de wateren des levens vloeien,
nu weet ik waar zij bloeit, de passie-looze Lelie,

de heilige bloem der vrome wijsheid,
die macht geeft over het kwade en over den dood.

Maar helaas, het is nog ver!
En hoeveel zijn de dagen die mij resten?

Hoe wordt het schoone en heilige leven nog misbruikt!
Hoe vermorsen wij jammerlijk onze kostbaarheid!

Wij verkwisten ons duurste goed als onnoozele kinderen,
als het domme vee dat zijn voer vertrapt.

En toch is in ons bereik een leven vol heerlijkheid,
de macht tot allerhoogste zegeningen is ons geschonken.

De deur staat open tot wat alle droom en hope overtreft,
tot vrede en geluk op aarde en zaligheid in den hemel.

Zijn onze verbeeldingen niet schamel en klein?
Is ons denken niet armzaliger dan het bestaande?

Wie zal dan zijn hope schooner wanen dan de werkelijkheid?
Wie zal Gods Heerlijkheden in verbeelding te boven kunnen gaan?

Heerlijk, heerlijk is het leven des vroom-wijzen.
In het leven vindt hij zegen, met den dood neemt hij genoegen. 152

Levende zoekt hij de schatten die hij in sterven behouden zal,
hij ontvangt van 't Leven wat de Dood niet ontneemt.

Hij gaat door zijn dagen als een blijmoedig strijder.
In zijn nachten proeft hij den voorsmaak van Gods belooning.

Het lijden weerstaat hij als een held,
als een reiziger die den straatroover overmant en bindt.

Zijn blikken zijn als vuur, verzengend het slechte en leelijke,
de schoonheid schittert hem tegen waarheen hij schouwt.

Hij gaat door de droeve straten, de vuile achterbuurten,
maar de zwaarmoed smelt voor zijn oogen als ijzel.

Waar hij zijn hand oplegt, daar vliedt de doodsvrees,
het leven wordt gesterkt en het geluk ontbloeit.

Hij weerstaat het kwade niet, maar het verwelkt voor zijn aanwezen,
het kan niet zijn waar hij is, door een Gods-wonder.

Hij leeft te zien het waarachtige, maar het droeve en sombere niet,
want het waarachtige is vreugd en schoonheid, en is in alles.

Toch voelt hij alle lijden en is niet hard,
hij lijdt om den onwetende, den hartstochtelijke, den schijn-vrome.

Want hij weet dat hij niet zalig kan worden alleen,
hij wil niet de meerdere zijn boven zijn broeders. 153

Maar in een feest van velen zou hij gelukkig zijn,
zijn wijsheid is een brandpunt van vele stralen lichts.

Zijn hartstochten zijn niet in hem verloren gegaan,
maar bedwongen tot staat van levendiger spankracht.

Zooals bedwongen beweging tot hitte wordt, daarna tot licht,
zoo wordt zijn hartstocht stil en glansspreidend.

In soberheid leeft hij en zeer groote reinheid,
door zorgvuldige orde leeft hij dubbel.

Geen zuivere vreugde is hem te gering,
verheven is hij door natuurlijkheid.

Hij beijvert zich niet goed te doen,
hij doet goed zooals 't water omlaag vliet.

Hij legt zich niet toe op volmaaktheid,
maar God zeer liefhebbend wordt hij van zelve volmaakt,

Hij wenscht voor zich geen deugden noch zegening,
God wenscht hij te gerieven, als zijn eenigsten, liefsten vriend.

Zoo komen deugd en zegen zijns ondanks,
uit nooddruft ontstralen hem blijmoed en goede werken.

De schepper aller wereld is zijn innige vertrouwde,
hem kent hij beter dan vader, moeder, liefste of kind. 154

Van uur tot uur leeft hij met hem,
in bangen en langen, in verrukking en beproeving.

Hoe kennen wij onze lieven? wie heeft een ganschen mensch gezien?
Huid en oogen zien wij, wij voelen handen en hooren stem.

Maar de gansche mensch is onzen zinnen een verborgenheid.
Niets weten wij van hem dan door bemiddeling.

Zouden wij dan niet evenzeer onzen God kennen,
schoon wij niets van hem weten dan door bemiddeling?

En tot den vroom-wijze spreekt hij zeer onmiddelijk,
ja, meer onmiddelijk dan vader, moeder, liefste of kind.

en zooals een vriend den lieven vriend meedeelt van het zijne,
zoo geeft God van zijn eigenheden aan wie zijn vriend is.

Van zijn goedheid geeft hij, van zijn vrede, van zijn zaligheid,
van zijn macht over het kwade, van zijn kennis aller dingen,

ja, van zijn scheppingsmacht deelt hij mede.
Den mensch, zijn maaksel, maakt hij tot maker.

Maar wat ons lijfje is in de ruimte vol zonnen en werelden,
dat zijn onze gedachtetjes in Gods gedachte.

Zie het vurige zonnelijf door den befloersten kijker,
met zin vlekken en vlammen, zijn aureolen, 155

zijn donkere kolken, zijn wervelstormen van vuur,
zijn ziedend rond-zwierende gloed-oceanen, zijn licht-orkanen,

zijn getakte vlam-fakkels millioenen mijlen hoog,
zijn hitte-sferen waarin de rotssteen vluchtig moet zijn.

Wij aanschouwen vlokken en kooksels en uitzwalpingen.
Sombere holten waarin duizend werelden verzwinden kunnen.

Het is alles vervaarlijk, onbegrijpelijk, wij hooren geen geluid,
verblindend is het en doodstil, schijnbaar onbewegelijk.

Maar wee ons! zoo het gehoord kon worden, wat ware het geluid!
Wee ons! wat ware de snelheid zoo wij nabij waren!

Aanschouw het langen tijd, verdiep u in het onbegrijpbare.
Nochthans bestaat het, niet ééns, maar eindeloos veelmalen.

Zooals dit stoffelijk bestaan is voor ons stoffelijk bestaan,
méér onbegrijpbaar nog is Gods geestelijk wezen voor het onze.

Doch ons klein lijf kent de geweldige zon als mild en liefelijk.
Dierbaar is zij ons en vertrouwd. -- Wat dan der ziel?

Zoo leeft de vroomwijze met den almachtige in vertrouwd verkeer.
Hoezeer verheven, niemand geringer vertrouwt hij gansch.

Vol geheimzinnige leidingen is ons leven.
Onkenbare machten omringen ons met invloeden. 156

Overal, ook hier om ons, zijn ontelbare schepselen,
Engelen en demonen, heilige en ellendige.

Welke dwaas acht zich de hoogste creatuur?
Zoe er geen schepsel meer zijn tusschen mensch en God?

Maar de vroom-wijze betrouwt God alleen en vreest niet.
Hoe anders zou hij heilig van onheilig onderkennen?

In het land der droomen beweegt hij zich welbewust en willekeurig.
Tempels en melodieën schept hij er door zijn woord.

Hij ziet de demonen en de geesten,
de gevaarlijken doet hij wijken in naam van God.

Licht-glimpen krijgt hij er van verborgen kennis,
van de dingen die ver weg zijn, van de dingen der toekomst.

Want de droomwereld is de wereld waarin ziel en lijf gescheiden zijn,
waarin tijd en ruimte verwijderde dingen worden.

Zoo leeft hij 's nachts in den schemerenden voorhof van 't generzijds,
beproevend de toenemende krachten zijner ziel.

Maar ook wakend zal er kracht van hem uitgaan,
zal hij booze machten beheerschen, en het verborgene gewaarworden,

onder heiligen invloed schoone kunstwerken scheppen,
zieken genezen, zwaarmoedigen bewegen tot geduld. 157

Maar al zijn macht is in zijn liefde tot den Volstrekten,
hij helpt alleen waar hij die liefde meedeelt.

Die liefde moet hij voelen zooals het lijf hitte voelt of pijn,
zoo echt en werkelijk, als het groote gevoel zijns levens.

De kiem dezer liefde is oprechtheid onverbiddelijk,
wie de waarheid liefheeft bemint God immers reeds?

Wie zondigt in oprechtheid, voor hem is vergeving,
ja wie Satan liefhad in oprechtheid, zijn eind zou bij God zijn.

Wie zijn waarachtigen aard deemoediglijk volgen durft, hij zal terechtkomen,
maar wie boven zijn macht grijpt valt in duivels hand.

De wijze erkent zijn zwakheden en kinderlijke begeerten,
hij zal niet trachten te leven als een volmaakte.

Hij overspant zich niet tot onnatuurlijke heiligheid.
Hij zegt nederig: "ach! ware ik beter, maar zóó ben ik".

Alleen door liefde tot waarheid wil hij beter worden,
zoo wordt eens het heilige leven hem natuur.

Hij zal durven doen wat alle wereld zonde heet,
zeggend: "ik weet niet beter, God straffe mij dan zoo ik dwaal."

Om God noch mensch zal hij zijn wezen verkrachten,
wetend dat niemand met vóórwending gediend is. 158

De echtheid van zijn gevoel beproeft hij vóór alles.
Zelf-bedrog vreest hij als de eigenlijke hel.

Waren niet gansche menschgeslachten in de macht der logen?
Maar in elken enkelling wordt de waarheid herboren.

Zoo zal hij zijn innerlijk wezen zuiver houden,
als nieuwe levens-bron en schatkamer der waarheid.

Er zijn er die vragen: Waar is God? Hoe zal ik hem kennen?
En kan men zchzelf deze liefde gebieden?

Maar woorden kunnen niets brengen waar niets is.
Een lamp der erkentenis zijn ze in verborgen schatkelders.

Neemt mijn lamp en doorzoekt uw binnenste,
Gij zult er schoone liefde vinden voor God,

liefde voor de waarheid, voor het waarachtige,
verlangen naar vrede en geluk, en naar kennis van het zijnde.

Elk onzen vader kennen wij door gelaat en stem,
aldus kennen wij God door waarheid en vreugde.

Van het licht zeggen wij: het is, maar de duisternis is niet,
zoo is de heilige vreugde werkelijk, maar de somberheid is niet.

En zooals de mensch meer levend en persoonlijk is dan zand,
zoo is God meer levend en persoonlijk dan de mensch. 159

Ja hij is het eenigst waarachtige leven en de eenigste persoon,
Hij is de ziel aller zielen, het volstrekte leven.

Wie naar hem het aanzicht richt wordt ziende,
en ontvangt den sleutel aller raadselen.

Wat de mensch als waarheid liefheeft, het zal hem liefhebben,
noem het licht logen en gij blijft in duister.

Maar verheft u en weest uzelven getrouw
en de heerlijkheden uwer ziel zullen u ontroeren.

Zooals hij antwoordende, mij geringe ontroerd heeft,
toen hij mijnen waan brak omdat ik hem vertrouwen bleef.


Bron: Van de Passielooze Lelie. Verzen door Frederik van Eeden, waarbij zijn opgenomen de "Enkele Verzen", Amsterdam (W. Versluys) 1901, 133-159.
Ingezonden en HTML door Willem van der Schee
voor het project Laurens Jz. Coster