Predikantenlied

Cornelis Paradijs

Hoe gezegend in ons land
Is het vak van Predikant!-
Godes hand rust, buiten kijf,
Zichtbaar op dit vroom bedrijf!

Dichters maakt alleen de Heer,
Predikanten mint hij zeer:
Daarom neemt men, dat is klaar,
Zooveel dichters bij hen waar.

Ik ben handelaar in graan,-
Met mijn dichten wil 't wel gaan:
Toch - ware ik een dominé...
't Wed dat ik het beter deê.

Velen, die men dichters heet,
Kost het dichten droppels zweet...
Maar in 't priesterlijke pakje
Gaat het van een leien dakje.

En geen wonder! Godes gratie
Geeft van zelven inspiratie;
Schande dan den godsman, die
Niet iets doet aan poëzie!

Blinkt de groote 
B. ter Haar
, Niet in onze dichterschaar? Wie kent Borger niet van 't `Rijntje'? Oók een dichter, en geen kleintje! Mar van allen toch de baas Is de grote Nicolaas;- Wat heeft hij niet saâmgedicht! Hoeveel harten niet gesticht! Goethe met Homerus samen, Kunnen nooit zijn roem beschamen: Want hij heeft wat hun ontbrak: Echte vroomheid... door zijn vak. Niet het laatst dient gelet Op den grooten Genestet: Wel was hij wat los van trant, Maar toch bleef hij Predikant. Wonderbaar zijn 's Heeren paân! Dikwijls ziet men het bestaan, Dat een herder, die misleid is, Toch nog Godes gunst niet kwijt is. Predikanten in misleiding Derven niet de dichterwijding,- Schrijven dikwijls ongestoord In het droevigst duister voort. Zelfs van Vloten en Huet Bleven schrijven onverlet- Doch natuurlijk misten beî 't Heilig vuur der poëzij. Maar, Goddank! zingt nu cantaten... Daar komt J.J.L. ten Kate! Dankt den Heer met snarenspel Voor Ten Kate, J.J.L.. Dat is scheppen, dat is dichten, Loven, lieven, steunen, stichten... Zing, ten Kate, zing uw lied! God vergeet zijn dichter niet! Luister niet naar schimp of spot; Doe gerust - het oog op God - De Commedia Divina Door diviner poëzie na. Schoon een vitter 't vonnis strijkt, Dat het niets op Dante lijkt- Gij, als Godsman, weet toch wel, Hoe 't met Hemel staat en Hel. Dante zelf was een verdwaalde:- Hij, die gansch de Schepping maalde, De eigen lijfpoëet des Heeren, Hoeft van Dante niets te leeren. Wee dan, wie uw vroom bestaan laakt! Al het schoone, dat gij aanraakt, Wordt, als met een tooverzwaai, Eens zo lang en eens zo fraai. En dan onze Laurillard! Vormt met hem het schoonste paar: Dat men hun één standbeeld giet, Op één voetstuk van graniet: De armen in elkander slaande, Samen op één Bijbel staande, Met één veder in de hand, Beurtlings vroom en schalks van trant. Zelfs het wufte schouwtooneel Kreeg van dominé's zijn deel: Daarvan maakt toch M.A. Perk Wel wat al te veel zijn werk. Maar goddank! hem doen de Ardennen Als beschrijvend dichter kennen,- Ook als dichterlijk beschrijver Is hij lang geen achterblijver. Vinger Gods, wat zijt gij groot! Zelfs van 't waar geloof ontbloot Brengt toch 't geestelijk gewaad Dichterzegen, vroeg of laat: Zie daar dat verdoolde schaap dan, Zie dien armen dichter Schaepman: In het duister tast hij rond, Toch spreekt verzen nog zijn mond. Hoor ook pástoor Brouwers' lied! Ach! het rechte wordt het niet... Waarlijk, ik voor mij verkies Nog... Jeronimo de Vries. Waarom legdet gij, de Veer! 't Zieleherders-ambacht neêr? Ach! gij hadt het moeten blijven... Stellig zoudt gij beter schrijven! Zie! in alles van uw hand Proeft men nog den predikant: Wie zich eens den Heere gaf, Komt zoo gauw niet van Hem af. Kranten, politiek en zoo, Laat dat over aan de Koo, Die, te ver reeds afgedwaals, Tóch den hemel niet meer haalt... Verder reikt uw vleugelslag Dan de Nieuwtjes van den Dag... Keer de Veer! o keer, ai keer Tot den dienst des Heeren weêr! Kuyper is wel predikant, En schrijft tevens in een krant- Maar die heeft zoo'n vreemd idee Van zijn plicht als dominé. Zeker is hij groot en knap, Maar het Christ'lijk leeraarschap Drijft hij wel wat oorlogzuchtig, Wat rumoerig en luidruchtig... Need'rig zij de dienaar Gods, Wars van ijdelheid en trots! Neen! op politiek gebied Past de knecht des Heeren niet. Laat dat schrijven bits en fel, 't IJdele professorspel! Wellicht dan de Heer u gunt, Dat ge verzen maken kunt. God! waar kent uw goedheid palen! Zij zelfs, die het vrees'lijkst dwalen, Schenkt gij nog, van tijd tot tijd, Zuiv're dichterzaligheid: Allard Pierson was, voor jaren, Een der trouwste bedienaren Van het Goddelijke woord- Door elk Christen graag gehoord. Doch op eens heeft zijn talent Van de schrift zich afgewend: Droevig joeg hij na Goddelooze aesthetika. Toch zou God hem niet begeven, Midden in zijn heidensch streven: Ziet! daar slaat hij plots de lier Met echt-dichterlijken zwier:- Zóó volmaakt, dat men zou zweren, Dat hij dienaar was des Heeren;- Doch... het was slechts een restant Van den ouden Predikant. Nog zijn velen niet genoemd, Door hun dichttalent beroemd; Wèl gezegend in ons land Is de geestelijke stand! Schrijf maar, Neêrland's dominé's! Schrijf maar in des Heeren vrees: Slechte verzen maakt men nooit, Als ons bef en toga tooit. In uw lamp brandt heilige olie, Dichten is uw monopolie;- Want de Heer ziet toe en waakt, Dat gij goede verzen maakt. Schrijf maar, schrijf maar, zielestichters! Schrijf gerust, dan wordt gij dichters... Zeeg'nend, zeeg'nend rust Gods hand Op 't bedrijf van Predikant!


Grassprietjes, 1885

[Nicolaas Beets pagina] [P.A. de Genestet pagina] [Conrad Busken Huet] [J.J.L ten Kate] [Cornelis Paradijs pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.