O tempora!

Cornelis Paradijs

      O Piëteit!
      Van vroeger tijd,
  Hoever zijt gij te zoeken!
Der vaad'ren deugd ging naar de maan,
Der vaad'ren dichtkunst van de baan
  Voor vreemde zwadder-boeken!

      Ach! Helmers dood!
      En Poot niet groot!
  Is 't niet om bij te huilen?
Dit jong geslacht zou, als het kon,
Den blanken, marm'ren pantalon
  Van Tollens zelf bevuilen!

      Ik doe mijn best
      Net als de rest
  Van stichtende poëten,
Ik dichtte met mijn hartebloed,
En nu durft mij dat addrenbroed
  Een grappenmaker heeten!

      Den lieven Heer
      Bewees ik eer
  Met zangen vroom en vaardig-
Ik sprak van deugd en godsdienstzin,
Van kristenvreugd en kristenmin!
  Helaas! - men vond mij aardig!!!

      Mijn vaderland,
      Den Huwlijksband
  Prees ik met al mijn krachten.
'k Zong van ons dierbaar Vorstenhuis,
Van 't lief en leed in eigen kluis -
  En Neêrland, Neêrland lachte!!!

      Ween! Holland, ween!
      Waar moet dat heen?!
  Mijn volk, gij zijt verkouden!
Wis loopt de wereld op haar eind,
Als echte vroomheid wordt miskend
  En voor een grap gehouden!

      Vermolm! mijn lier!
      Geen dichtervier
  Zal meer mijn borst ontstijgen.
Strooit, vrome barden, dan niet meer
Uw paarlen voor die zwijnen neer,
  Komt! laat ons nu maar zwijgen!


Grassprietjes, 1885

Indien iemand na dit droeve gedicht medelijden krijgt met Cornelis Paradijs, dient hier even opgemerkt te worden, dat zijn naam gelezen moet worden als van Eeden, en het inderdaad een grap was.

[Cornelis Paradijs pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.