Cornelis Paradijs
Tril Cither! dichtvuur blaak! O gij, mijn lier, sta pal! Klinkt! snaren van mijn hart, met daav'rend woordgeschal, Sterk, God! mijn luide stem die door de hallefronden Den lof van Hollands dichters gaat verkonden; Wat snoeft ge, o Brit! wat stoft ge, of wufte Gal! Met brommend snorken en verblind gebral, Op uwen dichterroem en dichterkoren! Als waar bij ons geen Tollens ooit geboren? Wat pocht ge, o Albion, op Shakespeare of op Byron, Alsof soms tollens 't niet veel mooier nog dan zij kon. Richt eereteekens op, gaat monumenten bouwen, Wij hebben Tollens óók in marmer uitgehouwen! ........................................................... ...........................................................
Deze lofzang op Tollens beslaat 1200 verzen. Wij geven hier alleen den aanhef; het vervolg in eventueel volgende bundels.
Grassprietjes, 1885
[Cornelis Paradijs pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan:
coster@dds.nl.