Inleiding tot Een tuiltje poezie voor het huisgezin

Cornelis Paradijs

Mijn poëzie stelt zich ten doel,
  Mijzelven te verlichten,
En elk, die deelt in mijn gevoel,
  Te treffen en te stichten.

Ik wijd een lief, aanvallig gind
  Mijn zangen en mijn tranen-
Haar wiegje stond in Purmerend,
  Haar vader doet in granen.

Zij heeft twee koontjes rood en rond,
  Een kleinen mond daartusschen.
Ze is altijd vrolijk en gezond,
  Geneigd tot jok en kussen.

Haast schooner klinkt haar zilv'ren lach
  Dan 't lied der nachtegalen,
Om 't poez'le halsje sling'ren zich
  Drie rijtjes bloedkoralen.

En, haar oogen! o, zwijg stil!
  Hier cither, moet gij zwijgen!
Daar kan zij alles, wat zij wil,
  Van mij gedaan meê krijgen.

Die oogen zijn mij paradijs,
  Mijn voorsmaak van het Eden:
Zij doen mij op tevreden wijs
  Het pad der deugd betreden.

Voor Truitje zou ik onvervaard
  Door vuren willen loopen-
Zes maanden heb ik opgespaard
  Haar belletjes te koopen.

Ja, `Truitje' heeft het aardig wicht-
  Toch zeg ik meest `Geetruide'
Omdat die naam in een gedicht
  Veel dichterlijker luidde.

Nu, lezer! zal 't u duidelijk zijn,
  Hoe zij mijn ziel kon boeien,
Hoe zij mijn hart in minnepijn
  Voor eeuwig deed ontgloeien.

Haar mint mijn hart en mijn verstand,
  Geen ding bemin ik méér-
Behalve 't lieve Vaderland
  En onzen lieven Heer!

O, God! wil met uw vaderhand
  Mijn Truitje voor mij sparen,
En ook het lieve vaderland,
  Ontwoederd aan de baren!


Grassprietjes, 1885

[Cornelis Paradijs pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.