Frederik van Eeden

LIOBA 


 


HERFST. TERRAS AAN HET SLOT SCHALTHEIM, MET UITZICHT OVER RIVIER EN ZEE.   

Harald op een rustbed bewusteloos. Lioba. 

LIOBA. 

De morgen heeft geen meelij meer,—de nacht  
schrijdt zonder deernis op den dooden dag. 

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

Het lijf dat zich gezeggen liet, o mij!  
wat wreekt het wreed zijn schijnbre slavernij!  
Het gunt geen uur verlichting,—het verzint  
steeds nieuwe folteringen,—soms begint  
het vleiend of 't wil troosten, brengt dan mij  
langs heldre beken in een droom vallei  
waar ik Hem aldoor zie, Hem altijd hoor,— 
te scheller breekt dan helsche waarheid door,  
banbliksem in mijn Eden, dat Hij ging  
voor goed, voor eeuwig, zonder andering. 
Al, al mijn zinnen zijn lijfs snoode knechten  
doen er mee mee, helpen het in 't verraad  
met zoeten toover dien 'k niet kan bevechten.  
Zijn stemval hoor 'k, ik zie zijn lief gelaat,  
ik voel de golving van zijn smijdig haar..  
Weg! weg!—O daar 'k het zeg, is het weer daar,  
dekt d' oogen mij, dooft d’ ooren, vult de handen  
met tastbaar levend heil,—dat is een schijn....  
Waar zal ik voor dat droomspel veilig zijn?  
Waar zijn de koele zeeën die dit branden  
uitblusschen kunnen?   
            't Was mijn wil, mijn wil!  
Povere macht, die brengt het tot één woord,  
één wending, één gedachte—maar vermoord  
wordt door 't onkenbaar, duizendvoudig wezen,  
mijn Zelf,—waarvan zij is één kleine gril. 
Erbarmelijke wil, wat baat gij mij?  
Schijn veldheer van armeeën uitgelezen,  
gij kent ze niet, zij u niet, zie, voorbij  
gaan ze^aan uw zwak commando, dat de wind 
wegwaait onnut, néér treden ze^u, in 't blind  
gehoorzame^aan hun nood, dien gij niet kende.  
O lach om wil, die heeft de kennis niet!  
Wil, die als 't kind de wilde zee gebiedt.

De morgen heeft geen meelij meer.—Ellende  
waakt als een hongerige hond met oogen  
glanzig van angst, gesperd, star van gebrek,  
aan 't voet eind van mijn leger, onbewogen,  
en trult mij na, den dag lang, waar ik trek.

Er was nog altijd troost in 't jonge licht,  
het vaagde met zijn helder mededoogen  
zwarte droom spinsels weg, het hief 't gewicht  
der angsten van mijn hart, en liet der dingen  
naargeestigheid vergaan, want alles vond  
een blijer aanschijn in den morgenstond  
als kleur weerkomt en vogeltjes weer zingen.

Maar nu keert kleur en vogelzang om niet.  
Of 't daagt, of 't avondt, eender blijft verdriet. 
Wat baat het of 'k van deugden mij niet eigen, 
het masker voorbindt, dat ik God believ',  
als zich mijn dieper wezen niet wil neigen  
naar 't schoon idee, dat ik tot Wil verhief,  
maar dat een dorre schim blijft, zonder macht.  
Was 'k trouw van aard, ik bleef 't ook tegen wil,  
nu maakt 't gebod van trouw, door Wil bedacht,  
't wild willen van dit ontrouw lijf niet stil.  
Kan ik dan door hoogvluchtig fantaseeren  
't diepst van mijn zondige natuur verkeeren?

Ellende^is 't end, als te hoogstrevend dweept  
de ziel, en acht niet wat er na haar sleept.  
Ach lijf, welks macht, welks treken ik niet kende,  
nu kwelt ge mij, dwingt mij mijzelf te kwellen  
met spel van vizioenen, schoon en zoet,  
'k achtte u mijn slaaf, nu zit ik in ellende,  
en voel mij radeloos beknellen  
tussche^uw vermogen, en mijn hoog gemoed. 
Arglistig, met demonisch vleien  
schaft gij al lieflijker illuzies bij,  
't vlijmscherpe, blinkende gerei,  
dat dieper in mijn hart moet snijen.  
Klare tafreelen droom ik wakend door, 
hoe wij te samen huizen, tsamen zwerven,  
's nachts afgewezen aan slot en herbergen,  
in 't woud vernachtend, bij verloren spoor,  
hij slape,^ik waken, hand in hand, en stom,  
duistre verlatenheid rondom,  
maar wel behuisd wij tweëe^in ons groot heil.  
En duizend zorgjes doe 'k voor hem, terwijl  
hij 't niet weet, ondergaand liefde^onbewust,  
maar ik wèl proevend alle lust  
dier liefde in 't zoete dienstbetoon.  
Dan speel ik 't weerzien, 't weerzien! dat paleis  
aller geneuchten, waar na droeve reis  
z'elkaar weervinden in hun weidsche woon,  
rond vreugde's gouden troon. 
Ik zie 't, ik zie zijn ooge diepten al,  
'k voel 't klemmen van zijn armen, en ik leg  
't hoofd aan zijn schouerken, eindlijk tevreden!
'k Ben gansch alleen, toch onderga ik 't àl,  
zijn stem, zijn geur, de warmte van zijn leden  
en 'k kan het niet weerhouden, wat ik zeg. 

neuriet:  

Dat je gekómen bent, eíndelijk! eíndelijk!   
dat je je toch hebt bedacht!  
't werd ook te lang, en te bang, en te pijnelijk,   
al dat gewacht.

Wou je dan nímmer meer hóoren aan, hóoren aan   
woordekens voor jou alléén?  
moest al die teederte weder te loore gaan?   
Waar moest die heen?

Mag ik nu áltijddoor bíj je zijn? bíj je zijn?   
Is het geen ongelijk groot 
als wij in 't leven maar éven gescheien zijn  
of in den dood? 

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

HARALD zich oprichtend met gesloten oogen

Lioba! 

LIOBA zijn tastende hand vattend.   

Harald! 

HARALD.   

Wordt de lucht al rood  boven de duinen? 
Heb ik lang geslapen? 

LIOBA. 

't Is vespertijd. 

HARALD.   

        Zie je de schapen grazen 
op 't grasland over de rivier? 

LIOBA.   

Geen één.  

HARALD. 

Ik hoor hun klokjes.   

Hij opent de oogen

Lioba, is de nevel nog niet weg  
over de Scheldë? Is de wind nog stil? 

LIOBA.  

De wind is stil. De troebele rivier  
glijdt lenig door het bonte herfstgetij.  
Snel — snel — snel— 

HARALD. 

Zie je dan kleuren? Is de lucht zoo klaar? 

LIOBA.  

De lucht is kil-doorzichtig als blank ijs,  
als bergkristal, volkomen transparant,  
zilt-frisch als spark'lend water, stil en klaar, 
zie, hoe de teedre kleuren er in leven  
met een verhoogde kracht. 't Weekgroen, 't gloedbruin,  
't hel bleeke geel der linden, 't violet  
van 't woud, dat staat als stille, donkre runen,  
vrede geloften, aan wit glanz'ge kim.  
Het is een wonderbare klaarte, 't schijnt  
of ze^elke lijn verscherpt, al kleur verreint, 
al 't hoorbre^en zichtbre vlak, vlak bij mij brengt,  
dat 'k wolke^en kim met handen meen te raken  
en mijzelf voel alom waar vèrheid is. 

HARALD.  

Ik zie een witte mist, een witte mist. 

LIOBA. 

Mijn Heer, vaag toch uw oogen. 't Is de slaap. 
Laat mij het doen. Zie nu! Nu ziet ge toch! 

HARALD. 

Al nevel, nevel. 

LIOBA zijn oogen kussend   

Maar in Jezu naam  
zal ik den nevel lichten. Zie! Ik wil. 

HARALD. 

Vergeefs.— 

LIOBA.   

        O armë!    O mijn Jezus help! 

HARALD. 

Wat is 't, Lioba, dat uw macht verflauwt? 
Gistren nog brachte^uw koele handen zegen, 
weldadig leven, pijnloosheid en slaap.  
't Vreemde koorts leven, waar de vlam in speelt  
van 't schrik’lijk onbekende, flauwde^en week,  
ik voelde^in slaap de drift terug naar land,  
van bange^oneindigheid naar 't veilig thuis,  '
k heb al in 't wonder mij beloofd geloofd!....  
O waan!—de nevel blijft...  
't gezicht verging. 't Tij kentert, 'k drijf weer heen.  
Stil sloopt de Dood de woning, steen voor steen. 

LIOBA. 

Mijn Heer! vertwijfel niet. 't Schort mij aan kracht  
daar 'k zelf zoo namelooze^ontbering lijd.  
Hoe kan 'k den dood bestrijden, waar ik zelf  
sta met mijzelf in desperaten kamp,  
waar hart en lijf, verdrukt en uitgevast  
voeren den hongerkrijg met mijn verstand.  
Zoo ik hun geven mocht, waar zij om smachten,  
hun recht, hun deel, hun nooddruft, hun bekomst,  
't keerde^al aanstonds tot vredë in mij weder, 
en 'k vond, bij eigen evenwicht hersteld,  
wel kracht om u te redden. 

HARALD.   

             Nevel! nevel!  
Gij vraagt, naar 't schijnt, een losprijs voor mijn leven,  
een reddingsloon, maar noem 't bedrag in ééns.  
Ik kan niet schach'ren. Heb ik iets te geven  
wat u naar hart en lichaam schort? Zeg wat! 

LIOBA.  

Nu spreekt gij wreed.—Gij weet wel dat 'k niets heb, 
noch lijf, noch leven, dat als prijs te veel 
s voor uw heil. Maar 'k wil dit wonder doen:  
u redde^en kan het niet. Want wat vermag  
een hart in tweespalt, of een muitend heir?  
Wat baat de prikkel van den wil, als 't wezen, 
stomp van gebrek, niet dan zijn kommer voelt?  
Wie dwingt een uitgehongerd volk tot plicht, 
eer 't ziet zijn rechten tot bestaan erkend  
en d' allerdiepste nooddruft voelt gestild?  
Mijn aardsch bestaan, Heer, kent geen dieper nood 
dan 't bijzijn van wien 'k liefheb, dat is 't brood  
waar lijf en ziel op teert, dat is het water  
dat drenkt mijn levensbloem, dat 's wat mij schort, 
moogt gij mij dat gedoogen? 

HARALD. 

Nevel, nevel.  
De rijp spint om de dennen wondre sagen.  
Duurt nu die bleeke schemering nog lang?  
Er lag een kristenkoning op den dood,  
toen vroeg zijn vrouw, zijn schoone, trouwe vrouw  
haar minnaar bij zich om haar man te redden,  
te redden van den dood, die trouwe vrouw.  
Drink heil, Skald!—wel gevonden!—Waar is wijn?  
Schim van Lioba, waar is wijn?—geef wijn!  
Geef rooden wijn, ik wil dien doodsdamp kleuren  
als bleek albast met rood doorlichtend vuur.   

LIOBA   geeft hem een schaal wijns met hevig beven, zoodat zij spilt

O helpe u God, mijn goede Heer!—Vergeef! 
Ik vroeg alleen of gij 't gedoogen moogt,  
om 's lieven levens wille. 'k Heb hem toch  
verlaten, vèr weg laten gaan, om u.  
Ik wou u trouw zijn en uw leven redden  
en hield den vasten wil daartoe genoeg.  
Ik wist het niet, maar zonder hem ben 'k niets,  
schip zonder anker, dor blad in den wind,  
blind katjen dat om moeder mieuwt, een visch  
bij eb op strand,—helaas! ik wist het niet,  
maar 'k kan niet leven, noch u leven geven,  
zóóver van hem,—die is mijn leven zelf. 

HARALD. 

     IJsnevel licht  
als een plooilooze, blinkende mantel leit  
op mijn stroeve wangen, mijn oogen dicht,  
houdt nu mijn vorstelijk hoofd overspreid,  
met een stijve, witte lijkwade,  
en de sneeuw zoo wreed en de zon zoo bleek...  
Is nog ver, o Heer, uw genade? 
Is het Uw wil, dat nu nimmermeer rijz'  
dit hoofd met zijn koningsgedachten  
uit den doodenmist, uit den zerk van ijs?  
hoe schreeuwen de meeuwen zoo droevig een wijs— 
En de wind zoo kil en de zee zoo grijs! . . .  
Duurt nog lang, nog lang, dit verwachten? 

LIOBA. 

Drink, Harald, hier is wijn. 

HARALD slaat haar den schaal uit de hand.  

Weg, schim!—— 
Ach mijn laag Neerlant, dat ik heb verheven  
tot hart der wereld, tot een kroon der aarde, 
troon van mijn macht, wie stut u, nu ik ga!  
in uw omfloersde verten, eev'ne kimmen,  
tinten die minne^elkaar als broeders innig,  
waters weemoedig wijd en blank, uw licht  
als dat van droomen, in uw wolken grootsch,  
kind'ren van zee en hemel, die behoeden  
uw kleinheid met hun majesteit,—in u, 
land van vereff’ning, aandacht en gepeinzen,  
van teer ontwaren, wijdte^en wijding hoog,  
van droome^en heimwee naar 't ver generzijds,— 
raakt menschengeest aan 't wankloos Zijn het naast,  
dringt diepst door sluier van uitwendig heen,  
gaat schijn voorbij, en voert in needrige^eenvoud  
zijn naakte liefde 't dichtst tot voor Gods voet.  
In dit domein van deemoed, ernst en wijsheid  
zette^ik den troon van 's werelds macht.   
Wee, wee!  ik kon hem niet bevest'gen. En gesard  
door schimmen van verloren hoop en heil  
sterf ik verlaten.  

Harald wordt bewusteloos. Lioba is naast hem op de knieën gezonken en staart over land en zee. Horic en Fastrade komen ongemerkt en fluisteren het volgende met elkaar: 

HORIC. 

Ziet gij dat? 

FASTRADE.  

Het is geen bloed. 

HORIC. 

Wijn is 't. Bloed lijkt haar niet. 

FASTRADE. 

Hij leeft nog. 

HORIC. 

De daad is gedaan. 

FASTRADE. 

Stil.—Zie haar oogen. 

HORIC. Koel-donkre bronnen, doodlijk diep. 

FASTRADE. 

Geen onrust,—geen triomf. 

HORIC. 

Onpeilbre, booze rust.—Slang na den beet. 

FASTRADE. 

Gij leest slecht.—Ze droomt,—ze droomt van 't Lief. 

HORIC.  

Zoo is een vrouw.—Weeft liefdedroomen uit moord. 

FASTRADE. 

En wie drenkt machtdorst met broederbloed?  
Uw hart dankt haar. 

HORIC. 

Maar mijn hand straft haar, bij Hel! 

FASTRADE.  

  Man, woudt gij vrouwen hanteeren? 
Bedwing wat gij begrijpt. Een man begrijpt 
voelbaar geweld, dat maakt hem eerbiedig. 
Een vrouw begrijpt hartstocht. Zij 
verdraagt alle geweld, maar onder 
dominatie van hartstocht. Voor wie haar 
begrijpt is ze slavin, voor wie niet,
giftig, ontembaar. 

HORIC. 

Ik trap adders dood. 

FASTRADE. 

Pas op!—volg raad op vreemde wegen.  
Dit is uw werk niet. 

HORIC. 

Wat meent ge? 

FASTRADE.  

   Gij vreest waar niets te vreezen is, en 
maakt gevaar door noodeloos verweer. Zij 
wil niet macht maar 't lief.  
Zij wil Tancolf. Daartegen houdt niets, 
moord noch Hel. 

HORIC. 

Ik zie ‘t. 

FASTRADE.  

Leid dan de beek waar zij heenwil, tot 
het meer. Veiligheid volgt uit 
bevrediging, onheil uit bedwang. 

HORIC. 

Uw hartstocht begrijp ik. 

FASTRADE. 

Maak mij dan uw slavin. Begrip valt licht.  
Ik ben maar een moeder. 

HORIC. 

Een moeder wil haars zoons macht. 

FASTRADE. 

'k Wil wat hij wil. Hij heeft een meistreels hart.  
Hij wil Lioba, zonn'ge voorjaarsmorgens, 
vrijheid bij berg en zee, liefde^en gepeins,  
wit marmer, lucht blauw, mirte^en oleanders.  
'k Zond al een bode, hij is te^avend hier.  
Laat hen vrij gaan, en te Favara nestlen.  
Twee vuur'gen zijn onschadelijk, vereend. 

HORIC. 

Kan 'k wie dát deed vertrouwen?—Vuur baart vuur. 

FASTRADE. 

'k Sta borg! 

HORIC.   

Wees trouw!—of 'k pletter drie voor één.   

Horic gaat

FASTRADE.   

't Was de peine niet  
voor zúlke zonde. Jeugd heeft altijd haast  
en mengt zich neuswijs in het werk der 
Nornen. 

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

luid.  Hoe is 't, Lioba? 

LIOBA.   

Hooploos, lieve moeder. 

FASTRADE. 

Is 't eind nabij? 

LIOBA.   

Welk eind?—Mijn Lief is ver. 

FASTRADE . 

Fij, fij voor Liefde's zelfzucht. Hoe 's uw Heer? 

LIOBA. 

Helaas, niet beter. Floers was voor zijn oogen  
toen hij zoo straks ontwaakte. 

FASTRADE den wijnschaal opnemend

Dronk hij wijn? 

LIOBA. 

Hij vroeg 't. Maar sloeg den beker uit mijn hand. 

FASTRADE langzaam

O,—dat is jammer! niet met voordacht?—
Wel?— 

LIOBA 

Hij was verstoord. 

FASTRADE. 

Op u? 

LIOBA.   

           Val mij niet hard.  
Gij kent mijn zwakheid en mijn woest gemoed  
dat roekloos uitweg zoekt in elk benauwen. 

FASTRADE. 

Mijn kind, wie ben ik, dat ik u zou richten.  
God wege^uw schuld, niet ik. Wat is gebeurd? 

LIOBA.  

Ik wou zijn leven redden.—Maar verscheurd,  
versmacht, gefolterd door 't gemis van hem  
dien 'k niet kan missen, uwen lieven zoon,  
begaf de kracht mij... 

FASTRADE.   

en.... 

LIOBA.   

Toen heb 'k gesmeekt of Tancolf keeren mocht.... 

FASTRADE.   

Dat 's dwaas. En toen? 

LIOBA. 

Toen sprak hij wreed en hard.... 

FASTRADE.   

Met recht.—En toen? 

LIOBA. 

vroeg wijn, maar sloeg den wijnschaal uit mijn hand. 

FASTRADE. 

Stil!—nu versta ik—wees getroost— 

LIOBA haar hand kussend.   

    O dank! 
Wat goedheid!—hebt gij raad? 

FASTRADE.   

           In trouwe heb ik!  
Hoe grijpt gij toch zoo gulzig naar 't geluk,  
gij dwaas, onstuimig kind. Heb toch geduld.  
Lust is een vlinderken, wil het niet jagen  
met lomp geweld. Wacht!—Hou den adem in. 

LIOBA. 

Ik vat u niet. 

FASTRADE.   

Dat 's recht!—'t Betaamt u niet  
mij snel te vatten.—Maar toch ben 'k gevat.  
'k Omvat met mijn gevatheid uw bevatting  
en verg van u geen stuitend vlug begrip.  
Gij hebt uw best gedaan. Uw edele^ijver  
vertraagde Harald's onafwendbaar einde  
recht wonderbaar, een wonder voor ons oog. 
Nu ebt dit onnatuurlijk willen weg,  
uw hart schreit luid om 't lang weerhouden recht, 
ongedulds storm breekt los.   
                       Maar waartoe dwaaslijk  
nu toom gevierd aan drift en snel geweld?  
Een dag, één uur misschien, en met dit leven  
valt elke^omheining voor uw heilstaat neer,  
breken uw boeien zachtkens, zonder schuld.  
Kies tot uw hulp geen zonde, maar geduld,  
en hou den adem in— 

LIOBA.   

....den adem in?.... 

FASTRADE.  

Ai, kind, dat is genoeg. Ziet gij 't dan niet?  
Was niet het matte vonkjen lang verglommen  
zonder aanblazing van uw wil?—Wil niet.  
Zoo is 't geen daad. En zonder daad geen schuld. 

Lioba is opgerezen en ziet haar star aan

FASTRADE iets terug tredend.  

Daagt het u, kind?—Wat bliksemt er zoo hel  
in die twee kijkers?—Inzicht, twijfel, toorn?  
D' oogappels donkren als in 't honden oog 
bij doodsgevaar. Het staat u schoon. Maar spreek!  
Wat deert u, sphinx? Ontzetting? Vrees? 

LIOBA na een wijle

Een afgrond van gruwzaamheid, plotsling ontwaard, maakt stom. 

FASTRADE.  

Zoo zwijg, en scheld niet. Gun ik u den rol  
der onschuld niet in ons eendrachtig spel?  
maar overdrijf die noodloos niet. Te veel  
verzwakt waarschijnlijkheid. Waart gij onkundig 
dat de^ega van een dood man weduw heet? 
Onnoozel hart! 

LIOBA.   

              De gruwbaar donkre kloof  
hebt gij ontsluierd in mijn eigen ziel.  
Ik scheld u niet. Gij zijt de koude spiegel,  
waarin 'k mij^zelf herken. 'k IJs van mijzelf,  
niet van den spiegel.   
                 O mijn God, mijn God,  
die weet of 't beeld gelijkt!—die peilt mijn wil  
tot mij verborgen diepten—is dit waar?  
Heb ik den dood van mijnen Heer gewild?  
O breek mijn wil dan met Uw machtgen Wil!  
Vernietig wat ik ben—mijn lijf en al,  
en hoor slechts 't smeeken van mijn mond alleen!  
mijn stem alleen!—Red hem! behoud hem, God!  
Erken mijn boos, verholen denken niet,  
maar luister naar de lichaamlooze klank  
die om zijn leven smeekend uit mij stijgt.   

Harald sterft

FASTRADE.  

Zoo 's 't wèl gedaan.—Meer kon geen engel doen.  
Nu 's zielevrede levenslang gered,  
en hemelvrede^er na.—Maar zie, hoe 't vonkjen  
adem des wils behoeft, niet klank der stem.  
En hoe God hoort naar stem van heel het wezen, 
niet van den mond.   
       Zoo dank nu God, Lioba,  
die u verstaan heeft, en een weeuw gemaakt. 

LIOBA zich op Haralds lijk werpend

Mijn man!—Mijn man!   Zij bezwijmt. 

FASTRADE.  

Dit 's goed. Dit treft me. Zij 's van edel bloed.  
Geen laaggeboorne zou zoo trouw bewaren  
den goeden vorm en hoogen schijn van deugd,  
van zelf, ook voor zichzelf, in diepe^ontroering.  
Zij 's hoog in wapen, schrander, sterk en schoon,  
een moeder waardig kind'ren van mijn zoon.


[IV][VI]