Frederik van Eeden

Voor H.

Midden in Mei, toen 't zomer worden zou,
had ik een droom vol oud en schoon verdriet,
die 'k eens zeer liefhad, kwam in 't donkerblauw
gewaad en lachte: 'Waarom lach je niet?'

Meer niet, - zo is 't in dromen. - 'k Voelde flauw
dat 't lang was, sinds 'k door haar het lachen liet.
Maar sterk mijn droefheid, sterk mijn eigen trouw,
en diep de pijn, dat zij mij lachen ried.

Toen bleef door 't droomspel van de ganse nacht
die oude smart mij bij, haar bitterheid
heb ik in veel gepeinzen overdacht.

Ontwakend, heb ik mij verbaasd, hoe wreed
de ziel onwetend in zichzelven snijdt.
en 't eigen teder weefsel diep ontleedt.

11 mei 1889.


Bron: De 200 bekendste, mooiste, tederste, leukste sonnetten / Samengesteld en ingeleid door Robert-Henk Zuidinga. - Amsterdam: Sijthoff, 1985 Bundel: Van de passielooze lelie. - Amsterdam, 1898
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster