Frederik van Eeden

LIOBA 


 

VI 
SLOTKAPEL OP SCHALTHEIM. 

Haralds lijk in staat. Brandende kaarsen. Lioba, in rouwkleed, bij ‘t lijk geknield. Morgenzonlicht door de vensters. 

LIOBA zacht.  

Weet gij 't nu, die zoo vredig ligt  
met uw verstild, verklaard gezicht,  
weet gij 't nu alles?—zijn uw pijnen  
nu afgegleden als een kleed?  
kan nu geen hardheid en geen leed,  
geen wreedheid van mijn blinden wil  
uw goed, grootmoedig hart meer schrijnen?  
vergeeft ge,^al blijve^uw lippen stil?  
verstaat ge nu? zien nu, gesloten,  
uw oogen helderder, en geeft  
nu 't godlijk licht, waarin gij zweeft,  
begrip, dat niemand kan verstooten, 
daar 't doet verneev'len zonde^en haat,  
met al doordringend weten peilend 
den liefde grond in peilloos kwaad?  
Voelt gij nu toch, ofschoon verwijlend  
in 't and're, smartenlooze land,  
de hette van mijn fluister woorden?  
mijn tranen op uw doode hand?  
mijn rouw? mijn wroeging?—O verklaarde!  
die weet,—heb meelij met wie tast  
in nacht,—onkundig van wat oorden  
gij nu bewoont,—en angstig vast  
nog houdt de heil'ge handvol aarde,  
uw lijf, verlaten nu en leeg,  
vergaan eerlang.
  Wie brengt verstaan?  
wie doet mij vatten wat ontsteeg  
dit vleesch, en nam mijn vrede mee?  
Het uurglas loopt, mijn polsen slaan,  
de gouden zonnestraal verglijdt  
van zerk op zerk—maar hem alree 
ontviel verganklijkheid en tijd,  
en 't Nu, dat ik zoo droef beween,  
is licht hem, en met de^eeuwen één.

Gij zalige!^om één woord! één woord!  
Ach! om één zacht woord van vergeven,  
voor 't heengaan—eer de zwarte poort  
dichtsloot voor wie hier achterbleven.  
Eén vonk van vastheid en genade,  
één hemelstraal van zekerheid,  
dat gij begrijpt, vergeeft,—niet lijdt  
meer door wat 'k u aan leed en schade  
onwillens toebracht,—dat u roert  
mijn rouw meer dan de vreugd der haters.  
O om één dronk der stille waters  
van rust, waarlangs gij zijt gevoerd. 

Gezang van kinderen buiten. 

DE KINDEREN 

Vorst Harald heeft geleden   
den dood voor onze goed,  
nu komen wij getreden, 
bedroefde kinderstoet,     
den goeden Heer     
te brengen eer   
en eenen lesten groet. 

LIOBA.  

Maar 't is te laat nu. Nooit ontsluit  
zich meer die streng gesloten mond  
tot glimlach heilrijk en 't geluid  
van deernis, troost en diep vertrouwen,  
dat zulk een zegen was. Voortaan  
moet 'k een onheelbare^open wond,  
die altijd branden blijft, behouen  
en tot den laatsten van mijn dagen  
op snijdende verwijten gaan  
en 't schrijnend juk der wroeging dragen. 

DE KINDEREN. 

Hij vocht met Gods vijanden   
als een groot machtig held, 
tot 's werelds verste randen 
heeft hij zijn wet gesteld,   
zijn volk bewaard   
voor 't heidensch zwaard,  
voor wrevel en geweld. 

De kinderen komen binnen witte bloemen dragend

LIOBA. 

Gaat, kinders, hier met zachten gang,   
hier ligt uw Heer verscheiden, 
komt rustig nader, weest niet bang,   
de dood is vree, geen lijden.

Hier ligt hij die uw koning was,   
Heer Harald, sterk en groot, 
zoo wordt de sterkste man als glas   
gebroken door den dood.

Dit is zijn kroon, dit is zijn zwaard,   
waar hij mee heeft gehouwen, 
voor onrecht hebben u bewaard   
die handen stil gevouwen.

Nu bidt hij, ziet! nog in den dood,   
na zijn roemruchtig leven,  
of God hem, om zijn daden groot,   
zijn zonden wil vergeven.

Bidt mèt hem, kinders, en beschreit   
hem als een goeden vader,  
gij waart, in al zijn majesteit,   
zijn kindren altegader.

Uw bloemen hem ter uitvaart schenkt,   
dan stil weer keert ter woning,  
en tot uw eigen dood gedenkt   
dit afscheid van uw Koning. 

DE KINDEREN. 

Wilt, God, nu hem gedenken   
in goedertierenheid,  
die vrede en recht wou schenken   
zijn volken wijd en zijd,    
schenk wie ons vree   
gewinnen dee,  
nu vrede^in eeuwigheid. 

De kinderen gaan langs de baar en werpen er hun bloemen op. Dan gaan zij heen

LIOBA.  

Nu is 't mij, of een zachte hand  
van uit d' onkenbare gewesten  
mij raakt den innerlijken wand  
van 't angstig hart. Of nu ten lesten 
een gouden schemer van verstand,  
een fluistering van engel stemmen,  
een straal van zachten hemeltroost  
komt dalen in mijn donker land  
en met een mild ontfermen loost  
de straffe banden die beklemmen  
't verscheurd gemoed. Hij 's mij nabij,  
ik voel zijn wonderbaar aanwezen  
om mij en in mij, als de val  
van een onhoorbre melody,  
niet hier, noch daar, maar overal.

Nu weet ik, hij vergeeft. Wel zal  
de hartwond nimmermeer genezen,  
wel blijft al 't leed' hem den geduld'gen,  
door mij gedaan, elk snerpend woord, 
met al zijn scherpte, mij, de schuld'ge,  
verteren, als invretend vuur,  
wroeging blijft branden, heel den duur  
mijns lichaams, dat hem toebehoort.  
Maar dit 's mij recht, ik draag 't met dank,  
het brandt mijn zwarte zonde blank.   

Zij blijft in stil gebed. Tancolf en Fastrade treden de kapel binnen. Bij ‘t zien van Haralds lijk valt Tancolf op de knie en buigt het hoofd. 

FASTRADE.  

Wees snel, mijn jongen, 'k eer uw loyauteit,  
maar overpeins des grooten Haralds dood  
nu niet te diep. Elk talmen brengt gevaar.  
Verzuim het leven om de dooden niet. 

TANCOLF. 

Nu schaam 'k mij, moeder, om mijn wuften zin. 
Ik wendde, toen m' uw bode trof, mijn ros 
verheugd en schielijk, als bij blijde tijding,  
en reed, als een ter bruidsvaart, met gezang.  
De morgen blonk, 'k herzag mijn dierbaar land,  
't gezegend Neerlant met zijn groene weien,  
zijn wouden en rivier, in 't gulden waas  
van zacht getemperd zonnelicht zoo schoon.  
Wat was de lange landweg ruim en licht,  
leidend vertrouw'lijk naar laag Neerlants bergen,  
de blanke duinen, teer, bestendig beeld  
van 't wisselspel van wind en zee,  
geteekend in fijn verlengde lijnen langs de kim.  
De hoeven vreedzaam, welbekend, in 't land,  
met kind're^en volk, vrindlijk bij morgengroet,  
de kronkelige^abeelen, van uit 't westen  
geschoren door den barren, zilten wind,  
en 't plechtig slot, aan 't eind der groene velden  
grauw tegen 't zonnig duinblond, waar de vloed  
met haar gestadig, blind ontembaar streven  
breekt door den zanddam breedgebaande poort  
tot 't groot geheim der lichtend wijde zee,— 
't gaf alles lust en vreugde, bij 't hervinden,  
ik snoof de brakke strandgeur met genot— 
de maar klonk in me met een blijen toon,  
als Schaltem's klokken die te luiden schenen 
ten hijlik, niet ter uitvaart.   
               En nu zie!— 
Wat klinken we^anders mee op eender roep,  
naar lichte^of sombere^oogenschijn ons stemt!  
Nu toont de blije maar haar droef gelaat:  
Mijn Koning dood! mijn Liefste^in rouwgewaad! 

FASTRADE. 

Ween vrij, mijn zoon, maar handel, mijmer niet.  
Een nieuwe Koning leeft, en draagt zijn macht  
met onrust nog, als 't paard een nieuwen ruiter,  
schichtig, tot argvaan en gewelddaad ree.  
Merkt Horic dat wij marren, spoedig valt  
er voor drie méér te bidden en te rouwen. 

Tancolf nadert Lioba. Fastrade blijft in schaduw der pijlers staan

LIOBA rustig opziend

Ik wist het dat gij komen zoudt. Dit 's goed,  
dit 's goed van u.— 

TANCOLF.   

        Mijn lang gederfde licht!  
Mijn ster die 'k voor altijd verduisterd hield,  
zachte^oogen, lieve mond, wier droomenschijn  
ik altijd zag, en nimmer gansch kon vatten  
dat ik in wezen missen moest voor goed,  
zie ik u dan toch weer! 

LIOBA.   

Wees stil! Wees stil!  
Verstoor dit niet.—Mijn ziel heeft u geroepen,  
ik wist, gij zoudt mij hooren, wáár gij waart,  
en komen ongewacht. Hoe dank ik u!  
Nu doet geen spreken nood. Wees stil, en kniel.  
Wees nu als Hij, om wien wij hier zijn, stom.  
Dat wijding, door geen woordgerucht verbroken, 
verbinde^ons drie, in hoog en nieuw verstaan. 

TANCOLF. 

Helaas, Lioba, tot zoo rustige^aandacht  
ontbreekt de tijd. 

LIOBA.   

De tijd?—wat wilt ge zeggen?  
tijd blijft helaas! ons eigen, en alleen  a
andacht brengt ons tot hem, wien tijd ontbreekt. 

TANCOLF.  

Mijn Lief!—daal uit uw hoogtë en begrijp!  
Verkeer met zaal'gen wordt ons niet gegund,  
daar wij nog 't leven dragen, staag bedreigd. 

LIOBA. 

Zijt gij het, Tancolf, die mij vraagt te dalen?  
Mijn Lief! stijg tot mijn hoogten en begrijp. 

TANCOLF. 

'k Begrijp u goed. Maar hoor toch! 't Is de dood,  
de dood, die dreigt ons beiden, bij verwijl. 

LIOBA. 

Dreigt de dood u? Mij niet. Hij lokt en vleit. 
Zie, hoe hij kan bevredigen en troosten. 

TANCOLF. 

Wilt gij den dood?—ga mee! ga mee! ga mee!  
Iedre seconde brengt hem dichterbij. 

LIOBA. 

Mijn plaats is dichtbij Dood, wáár waar 't mij liever?  
0 kon ik dichterbij hem zijn, dan 'k ben. 

TANCOLF. 

Als gij den dood zoekt, waartoe mij geroepen? 

LIOBA. 

En waartoe hier gekomen, als ge 'm vreest? 

TANCOLF.  

Heet ik bevreesd? Wat tergt gij, wien gij lieft,  
met woordspel en moedwillig misverstaan,  
met bittre schimp en martelend getalm? 

LIOBA. 

Wat tergt gij, wie gij lieft, door misverstaan? 

TANCOLF.

Zoo was dan al die hooge liefde leugen, 
een droom, een roes, de koortsvlam van één nacht, 
bij nuchtren dag verdoofd? 

LIOBA.   

Zoo vraag ik ú.— 
Hadt gij mij lief als ik ú—gij verstondt.  
Wee! dat ik 't heb geloofd. 

TANCOLF.   

Wat's dit voor liefde?  
die wil uw eigen en des liefsten dood,  
den dag dat eind'lijk 't lang verlangde heil  
zich opendoet? 

LIOBA. 

Ik wil uw dood niet, ga!— 
Zoo even had ik vrede, nu niet meer. 

TANCOLF. 

Dit's waanzin of berouw! 

LIOBA.   

Berouw! berouw!  
om wat 'k gaf, maar om wat 'k dacht te ontvangen,  
maar niet ontving, een hart aan 't mijn gelijk.  
Dus om een waan heb ik u, goeden koning,  
gemarteld met de kreten mijner zelfzucht, 
gevoelloos voor uw eigen, machtig leed!  
Tot uw laatst doodsdroef uur heb 'k u vergald,  
elk uwer hooge zorgen nog verzwaard  
met klein gedrein, en uwen grooten weemoed  
nog met de scherpe nageltjes geritst  
van mijn gevangen en verwoed begeer.  
En dat om dezen! wee! om dezen kleinen,  
die wil dat ik, terwijl uw lijk hier leit,  
uittrek in 't licht en lustig hoogtij hou.  
Om dezen,—God! is er nu nog genade,— 
heb ik uw dood, mijns Konings dood gewild! 

TANCOLF.  

Lioba, ook de schoonste rouw wordt klein,  
die in haar zichtkring niet dan rouw gedoogt,  
die in het donker oogenblik gedoken  
van licht niet weet, in toekomst of verlêen.  
Zelfzuchtig is de rouw die duldt geen vreugd,  
geen goedheid, geen verzachting in herdenken  
van de^eigen daân,—die in hartstochtlijk wroegen  
de hoop in 't eigen hart verwoest en blind vertreedt 
de bloemen van gerecht geluk.  
Hier sluipt de duivel, vijand van Gods licht,  
de woning in van 't edelst hart, ontsloten  
op naam van 't Recht, en viert zijn donker spel. 

LIOBA.  

Spreekt gij van kleinheid en van zelfzucht! Gij!  
die mij wil trekken van mijn heiligdom,  
mijn dooden man, en dreigt mij met den dood,  
opdat 'k uw vrool'ken liefde dorst voldoe!  
Spreekt gij van 's Duivels treken, die dit oord  
ontwijdt met zinne^op vreugde^en huwlijkslust?  
Gij, Duivel zelf, uw kleinheid walgt mij zeer.  
Ga!—laat mij in mijn donkren rouw gedoken!— 
vier, zelfzucht! waar gij wilt uw lustig spel. 

TANCOLF.  

Arme, nu brandt mij deernis om uw smart  
meer dan uw gloeiend haat woord. 't Geldt mij niet,  
maar mijn boos spook in zieke fantasie.  
Wat pijn! tot zoo gedrochtelijke schim  
des allerliefsten beeld te zien verwrongen. 
Wat smartvol baren van zoo grievend woord,  
wreeder voor mond die spreekt, dan oor dat hoort.  
'k Vergeef 't al eer 't gesproken. 't Raakt een schijn,  
die ik niet ben, mij niet,—al deze pijn  
gaat buiten 't wezen onzer Liefde om.  
De monden spreken, 't dieper Zelf ligt stom. 

LIOBA. 

Staak uw hooghartig douloureus geteem.  
Spaar mij uw deernis. 

TANCOLF.   

Onthou wel! geen zweem  
verbittring blijft. Onthou 't, opdat mijn dood  
zoo die u trof, eer de verblinding klaarde,  
uw last van rouw en wroeging niet vergroot,  
en zich uw arm hart niet nog meer verzwaarde,  
door inzicht hoe ge^om 's dooden wil bedreeft  
't kwaad zelf dat gij berouwde,^aan hem die leeft. 

LIOBA. 

Schande^over u, die noemt in eenen âam 
den dief en den bestolene te saam,  
en schendt mijn heil'ge rouw met uw laag denken. 

TANCOLF.  

Beproef 't niet meer mij met bits woord te krenken.  
Een kind in koortsdroom krenkt de moeder niet,  
wat het ook zeg. Bij 't overgroot verdriet  
zal zij der woordjes bittren zin niet voelen,  
maar teerder nog, in wonderweeë pijn.  
'k Ontzie uw rouw, ik eer uw hoog bedoelen,  
maar ziend uw waan, geloovend in uw min  
ondanks uzelf, moet ik de pleger zijn  
die, schijnbaar hard, weerstreeft den kranken zin  
en redt, tege^u en uw verbijstring in.  Kom!—   

Hij vat haar aan

LIOBA.  

Zijt gij voor krenking stomp en zóó verlaagd!  
Hier! neem dan, ridder! wat geen ridder draagt!  
Zoo leere u dit, beter dan woord misschien  
des koning Harald's weduw të ontzien.   
Zij slaat hem in ‘t gelaat. 

FASTRADE.  

O giftig beest!—O 'k wist het!—vuig,valschwicht!  
Ik kende^u, met uw argeloos gezicht,  
vat vol venijn en boosheid!— —Mijn arm kind!  
wat hebt ge^uw englen goedheid weggesmeten,  
te lang uw waarde^en ridder eer vergeten.  
Dood haar of laat haar. Weg!—gezwind! gezwind!   

Tancolf laat zich zwijgend wegleiden.   Lioba knielt bij ‘t lijk en bidt.  

 



[V][VII]