![]() Titelpagina van de tweede druk van Justus van Effen, De Hollandsche Spectator. Amsterdam, 1756. Coll. Goudse Librije, SAHM. |
HORAT.
OM tot de styl te komen, waar van ik voorneemens ben my te bedienen, heb ik iets te verhandelen met de Heeren Puristen of Taal- zuiveraars. Eertyds ben ik van hunne bende geweest, en niet alleen een verwonderend liefhebber van hunne gelukkige poogingen, maar zelfs een ieverig navolger, en mede-dinger. Zelf heb ik, zonder roem gesprooken, reeds in myn kindsche jaaren Koppelwoorden t'zamen gesteld, die, in uitgestrektheid en hardigheid, voor niemant hunner trotze en opgeblazene broederen behoefden te wyken, dewelke, indien ik raadzaam hadde gedagt, den zelve het ligt te doen zien, zonder twyfel hun fortuin in de wereld zoude gemaakt hebben. Zommigen van deze myne treffelyke uitvindingen is dit geluk al te beurt gevallen. Dewyl ik onbekend ben, durf ik zeggen, dat ik de man ben, die de eer heb, op de leest van 't woord Jufferdom, dat van Dichterdom geschoeit te hebben, zoo dat aan my, en aan niemand anders verschuldigt zy, dat men met zoo veel deftigheid en zoetluidendheid in verscheidene van onze vaderlandsche dichten hoort brommen: Het Neerduitsch Dichterdom &c. Ik verwonderde my zelfs, dat dit maakzel myns vernufts aan andere fraije geesten, die meer als ik, haar werk van in onze moedertaal te schryven maakten, geen aanleiding gaf, om met die bevallige uitgang van dom, andere woorden, en wel voornamentlyk koppel-woorden op te pronken; waarom dagt ik, wanneer men in 't gemeen spreeken wil van Kleermaakers of Hairsnyers, ook niet gezegt, 't Kleermaakerdom, 't Hairsnyerdom. In die bevatting zynde, wilde ik eens het Huwelyk van een voornaam Koper-slager, mynen goeden Vrind, in Heldendicht, gelyk zulks met het hedendaags gebruik, gantschelyk niet stryd, vieren. Myn voorneemen was hier in den trant van den verhevene Pindarus op te volgen, en met den lof der koper-smeeden zelfs te beginnen. Ik voerde dit myn opstel na myn genoegen wonder wel uit, en myn Gedicht nam zyn aanvang met de volgende regel:VIRG.
ONlangs heb ik by geval 't geluk gehad van kennis te maaken met een fatzoenlyk Burgerman, die, hoewel zyne levenswyze zich laagjens by de grond houd, veel geld, door zyn naarstigheid en goed overleg verkregen, bezit. My dunkt dat by alle Volken het middelbaare slag van Menschen het beste is en zulks meen ik wel voornamentlyk in onze landaard te hebben ondervonden. Ik wil gaaren bekennen dat ik met diergelyke lieden het liest omga. Myn nieuwe Vriend is niet openhartig, rondborstig, oprecht; 't is de oprechtheid en openhartigheid zelfs. Niets kan goedaardiger en vriendhoudender uitgedacht worden; in zyn leedige uuren is men hem altyd welkom, voornamentlyk indien men voor een verstandig of geestryk man te boek staat. 't Is echter geen man van studie, maar in zaaken, waar op hy gevat is, en in welke zyne reden, door te groote onderwerping aan 't gevoelen van anderen niet misleid word, van een zeer gezond oordeel; hy verstaat de Koophandel in de grond, en de wyste mannen trachten, in de neteligste omstandigheden, welke deze nutte wetenschap betreffen, zich van 's mans raad te bedienen. Schoon hy nauwlyks zyn vijftigste jaar bereikt, heeft hy alle hoofdbrekende bezigheden van de hand gewezen, om voortaan een gerust en stil leven te lyden. Op allerlei wyzen is hy mildadig, en zo hy niet ruim en volgens zyn inkomen leeft, de reden van die zuinigheid is, dat hy noit de kunst van geld te verteeren geleerd heeft. De waarheid is den goeden man zo eigen, dat, schoon het hem leed zoude wezen wie het ook zy in 't minste te beledigen, hy dezelve zomtyds, tegens 't geen men hedendaags hoffelykheid en beschaaftheid noemt, al wat grof gebruikt, en dat zonder het eens te merken, of deshalven verlegen te wezen, zulks stuit andere nu en dan al wat; maar al treft het my zelven ook wel eens, zo moet ik zeggen, dat die ouwerwetsche eenvoudigheid my aan myn hart goed doed. Verders is hy, gelyk het myns oordeels de deugdzaamheid eigen is, altyd wel te vreden, en met bezadigheid vrolyk. 't Is een vermaak hem aan te zien; de stille gerustheid van zyn ziel straalt uit zyne oooen, en uyt alle de trekken van zyn wezen. Hy hoord gaaren railleeren en kortswylen, hoewel hy zelfs het weinig doet. Ook is hy een liefhebber van de Poëzy, en in vertrouwen heeft hy my gezegd,dat hy nu en dan ook wel een Vaersje heeft gemaakt, en dat voornaame Dichters met welke hy verkeerd, hem verzekert hebben, dat zy nog wel op hunne beenen stonden. Van twee van die geestryke vrinden maakt hy veel werks, en eene byzondere ophef. De eerste steld vaersen toe zo hoogdravend, dat men er versteld van staat; de tweede blinkt uit in aardigheid, als of Fokkenbroch en Rusting in de man herleefden. Daar by heeft hy in de conversatie om myn Vriends woorden te gebruiken, de wonderlykste invallen, en de drolligste, grappen die bedagt kunnen werden. Hy maakt dat men zich slap moet lagchen; 't is een aardigen gauwdief, een koddigen hond, zo 'er oit een geweest is. De Lezer is bewust dat de benamingen van gauwdief en hond, die meesten tijd, de grootste verfoejing uitdrukken, in deze zin de keurlykste loftuitingen behelzen; men moet de zelven even eens opneemen als de liefkoozing van zekere moedertjes, zelfs van een goede opvoeding die haare lieve dochtertjes half dood zoenende, en met de oogen als opeetende, zich dagelyks laten ontvallen: Je bent een hoertje van een meisje, je bent een alderliefst hoertje, ja dat benje. Men weet wel dat die haatelyke naam hier maar diend, om de uitsteekendste bevalligheden af te schetzen. 'k zoude even, wel onze Mamaatjes raaden zich daar van te onthouden; bygeloovige menschen, dit daar na herdenkende, zouden zich zomtyds verbeelden dat zulks wel uit eene waarzeggende geest voortgekomen mocht zyn. Doch om weder tot onzen eerlyken man te keeren; de dikwils door hem herhaalde afbeelding zyner Poëtische vrinden, deed my zodanig naar der zelver geestrykheid watertanden, dat hy eindelyk, op myn ernstig verzoek, my met zyn Speelwagentje op een Buitenplaats, daar die Heeren met enige anderen zich bevonden, gebragt heeft. De hoogdraavende Dichter was de Heer van 't huis zelfs, en ik vond het gezelschap bezig met een kopje kopjeThee te drinken, 't geen van deszelfs vrouw, welke een deftige huismoeder scheen te zyn, wierd geschonken en toegediend. In 't begin waren 't gemeene praatjes, waar in onze koddige Dichter wonderlyk uitblonk. Dikwils bragt hy loopjes voor den dag uit het algemeen Pakhuis, en niet zelden, van dat soort van spreekwyzen, dat alles, en niet met al zegt. Nu en dan waagde hy aardigheden, die niet als te dubbelzinnig waren, en Mevrouw al een bloosje aanjoegen. Wat zal ik zeggen, de Man was in de bezitting van te doen lachen; men grimlachte reeds, als hy zyn mond maar opende, en wat hy ook uit zyn hoofd duwde, men lachte, dat men zich den buik moest vast houden. Onderwylen gaf myn Vriend my nu en dan een oogje, of beet my in 't oor, een koddigen duivel, niet waar? Men viel wel haast op de Dichtkunde, gelyk zulks niet konde missen. Hier wierd ieder onzer Dichtbaazen, zo ouden als nieuwen, in de schaal gelegd, en elk zyne verdienste toegewogen, aan ieder haperde 't een of 't ander, aan Vondel alleen niets. Maar hoe wierd die vroome Vader Kats gehavend, hoe wierd zyn eenvoudige styl als lang, krachteloos en laf veracht en bespot? Hoe wierden, alleenlyk om: en ik en weet niet wat, en des al niet te min, alle zyne Werken als prullen gehandeld en verworpen. Ik had waarlyk recht medelyden met die goede eerlyke man. Eindelyk nam myn Vriend het woord, en verzocht de Heeren aan 't gezelschap eenige hunner Werken op te dissen. Na verscheide ontschuldigingen, welke de Poëtische zeedigheid mede brengd, gaf zich de Heer van 't huis de eerste over, en een papier uithalende en ontvouwende: dewyl de Heeren goedvinden, sprak hy, dat ik hen verveel en lastig valle zal ik de vryheid neemen van hen een Lykdicht op de dood van een Zee-bevelhebber, voor te leezen, 't welk ik een geruimen tyd geleden, op de wyze van eene Herderskout opgesteld heb: 't is wel wat lang, maar wat zal men daar tegen doen? Dit zeide hy met een verwaand grimlachje, 't welk scheen te betekenen, dat hy niet twyfelde, of het zoude noch te kort gevonden worden? Hier op, na behoorlyk gehemt, en zich gesnoten te hebben vong hy aan op eene langzaame, deftige, en nadrukkelyke manier. Men kon waarlyk zien dat het een Herderskout was. De naamen van Meiker en Veenman, gelyk ook de afbeelding van schaapen, die blaetende van een heuvel afdaalen, en zich naar een beek al huppelende spoeijen, waaren daar onwederspreekelyke bewyzen van. Tot dus verre maakte 't Fluitje noch al een zagt en aangenaam geluit; Doch 't Herders-riet kreeg wel haast de klank van een krygs-trompet, en zelfs van een Ketel-trom. De dappere daaden van den Overledene, moesten opgezwetst worden, en dewyl buiten twyfel de Dichter zich verbeelde, dat wel te pryzen bestaat in sterk te pryzen, vyzelde hy zynen Held op, als of de Ruyter, Tromp, en Piet Heyn maar kinderen by hem waren geweest. Hier moesten Zee-slagen afgebeelt worden, 't welk men in 't eerste opzicht zoude zeggen, dat door een Harder niet al te gevoeglyk konde gedaan worden; maar de Poëet had die zwarigheid reeds uit de weg geruimd, met aan Veenman zelf te doen zeggen, dat hy in zyn jeugd de Zee gebouwt en verscheidene Scheep-gevegten had bygewoont; 't geen immers in 't minste niet onwaarschynlyk is. Na dat onze Dichter met veel beleid en Zeemanschap de noodige voorbereiding tot den slag had gemaakt, zette hy zich in een postuur, waar uit men wel oordeelen konde, dat het een hardnekkig en bloedig gevecht zoude wezen, en niet weinig armen en beenen zoude kosten. Zyne stem verhief zich, bromde, daverde, zyne oogen blonken als vuur, en met zyne gebaarden scheen hy die van zyn strydende Zee-held te willen nabootzen. 't Was als of de leeden van de Toehoorderen, tot de zelfde beweegingen, door verborgene yzerdraaden getrokken wierden, de verbaastheid en schrik was op alle de aangezichten levendig afgeschilderd; met de hoofden naderde men den Leezer allengskens, men durfde zyn adem kwalyk haalen; de een stampte van verrukking, de andere trok zyn paruik scheef, en hadden zy hun eigen hair gedraagen, een goed gedeelte van 't zelve zoude, gewis in de loop gebleven zyn. Een kind van den Autheur, zynde een juffertje van vyf of zes jaaren, bevond zich by haar Moeder, en zo lang Papa met Schaapjes en Gytjes beezig was geweest, had zy, al speelende met Mamaatjes Waijer, zeer aandachtig gescheenen. Ik, die een rechte kindergek ben, had ruim zo veel behaagen in haar houding, als in haar Vaders gebazuinde Herders-kout; ik hield myn oogen op haar gevestigd, en bemerkte zeer wel, dat het bulderen van Papa, en de misselyke gestalte van zyne Toehoorderen, 't kind meer en meer vervaard maakte, zoo zeer, dat wanneer Paatje den Zee-God beschreef, als van schrik zich onder de golven duikende, en zelfs zich scheen te willen verschuilen, het zoete Wicht zich met een ontsteld en angstig wezen, in haar Moeders schoot verburg. Tot zo verre bezat het zich nochtans; maar wanneer dePoëet zyn Held aan de man bracht, en met een brullende stem de volgende Vaersen uitgalmde:
