Willem Godschalk van Foquenbroch (1630-1675)

Gedachten

Hoe onstantvastig is 't heelal,
Met al het genen dat daar in is?
Steets draait 't geluk, en 't ongeval,
Vermits geen staat zo in 't begin is,
Gelyk ze in 't einde wezen zal.

Verlossing volgt na zwaar ellend,
Mits 't luk het onluk moet verdryven,
Gelyk de smaat de vreugde schent,
Dus kan gen staat in 't eerste blyven,
Gelyk zy wezen zal in 't end.

De liefde volgt zomtyds de baat,
De haat word ook uitmin geboren;
Het oged komt dikwyls uit het kwaad,
Men vind 't geen eertyds was verlooren,
Dus blyft er niets in zynen staat.

Zo los is 't kwaad, zo los is 't goed,
Wie kan des iets standvastig hoopen?
De wereld is maar ebbe en vloed;
Niets blyft bestendig voor 't verloopen,
Wyl alle ding veranderen moet.

Niets is 'er vol verzekertheid;
Niets is volstandiger bevonden,
Dan zelve d'onvolstandigheid,
Mits alles steunt op losse gronden,
In 't eind, is alles ydelheid.

Des is de mensch berispens waard,
Die wanhoopt in zyn ongelukken;
Want geen ramp is van zulken aard,
Dat ze iemand eeuwig kan verdrukken;
Mits niets bestendig blyft op aard.

Ook doolt de lukkige niet min,
Die, pochende op zyn goude schyven,
Zich steets niet beeld dan voorspoet in;
Mits dat geen staat in 't end kan blyven,
Als zy geweest in in 't begin.

Geen grooter gelukzaligheid
Kan iemand des op aarde vinden,
Dan in verdriet; en vrolykheid
Zich altyd aan Gods wil te binden,
En dus leeft men in zekerheid.


Bron: Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

Ingestuurd door: rudolpho@euronet.nl