Willem Godschalk van Foquenbroch (1630-1675)

GEDACHTEN OP MYN KAMER

Hier in dit klein, doch stil vertrek,
Tracht ik alleen myn vreugd te zoeken;
Daar ik my al 't gewoel ontrek,
En my verlustig in myn boeken,
En hou de weereld voor myn gek.

Al 's weerelds vreugd acht ik een spook,
Die men op 't vaardigst ziet verzwinden,
Dit leer ik hier, wyl 'k zit en smook:
Mits ik daar daaglyks uit kan vinden,
Dat alle vreugd os min als rook.

Dit leer ik hier, en 't is gewis;
Want waar ik myn gezicht mag keeren,
Straks vind ik een gelykenis,
Die my, uit 't geen ik zie, doet leeren,
Hoe ydel dat de weereld is.

Een greins die ik van beschou,
Leert my de weereld wel bekyken,
Mits d'ontrou zich vemomt met trou,
Endat een schelm kan eerlyk lyken,
Zo men de schyn gelooven zou.

Zie ik myn fiool, en fluit,
Die doen my meê een leerling vinden;
Want even een gelyk 't geluid,
Noch naau gehoort, voort gaat verzwinden
Zo dra heeft meê het leven uit.

Zie ik wat snorrepypen aan,
My uit vermaak wel eer gegeven,
Zo laat ik myn gedachten gaan
Op d'ydle vreugd van 't jeugdig leven,
Die d'ouderdom haast doet vergaan

Zo myn gezicht een flesje vat,
Gevuld met balzem voor veel wonden;
Dunkt 't leven my geen groote schat,
Vermits dat zomtijds is gebonden
Alleenig aan een druppel nat.

Zie ik myn wapens aan terzy,
Die my myn ouden adel toonen;
Ik vind my van die zorgen vry,
Die steeds omtrent de Hooven woonen,
En spot met al die slaverny.

Of zie ik voor my op het beeld
Van Karel, d'oude Britsche Koning,
Zo dunkt my dat het niet veel scheelt,
Of 't leven is maar een vertooning,
Daar ieder mensch zy rol in speelt.

't Is waar, d'een toont een majesteit,
En dees een arm man, die een ryken,
Elk scheelt hier veel in heerlykheid;
Maar die in 't graf hen kwam bekyken,
'k Geloof, hy zag geen onderscheid.

Of zie ik van terzyden aan
De beelden van myn bloedverwanten,
Ik denk, wie kan de dood weerstaan?
Want schoon 't kopy hangt aan dees wanten,
Het principaal is lang vergaan.

Zo maakt de dood elk een tot slyk,
En spaart slaaf, noch knecht, noch heeren,
Want ieder moet, 't zy arm, of ryk,
In 't geen hy eertyds was, wekeeren;
Zo maakt de dood elk een gelyk.

Dit brengt my hier myn eenzaamheid
Gestadig voor in myn gedachten,
Zo dat ik leer geen zekerheid
Van al dees weerelds vreugd te wachten;
Want alles is maar ydelheid.

Bron: Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

Ingestuurd door: rudolpho@euronet.nl