Willem Godschalk van Foquenbroch (1630-1675)

AAN KLORIMENE

Toen u myn zuchten steets myn liefde kwamen melden,
Die ik herkomstig zwoer uit uw volmaakt gezicht;
Toen ik geen godheid had dan u en 't minnewicht,
Die ik tot Afgoôn van mijn ziel en zinnen stelde.

Toen ik in proos, en vaars uw groote glans vertelde,
Die ik veel schoonder vond dan 't hemels zonnelicht.
Toen my de weêdom van een doodelyke schicht,
Gelyk gy denken moogt, met duizent pynen kwelde.

Ja, toen myn tranen, als getuigen van myn smart,
Verzelschapt met een tal van zuchten uit myn hart,
U scheenen 't aldermeest myn liefde uit te leggen.

Toen deed ik, Klorimeen, al even eens als nu,
Dat is (om u in 't end de waarheid op te zeggen)
Ik lachte in myn geest, en schoer de gek met u.


Bron: Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam
E-mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl