W.G. van Focquenbroch

Klinkdicht

De donder, en de wind, en felle hagelbuien,
Die streden ondereen met 't allerwreedst geweld,
En maakten 't dichtste bos tot een geëffend veld,
En dreigden 't Noords gebergt in Afrika te kruien.
De bliksem, die vast vloog van 't Noorden tot het Zuien,
Was met zo fellen brand en hevig vuur verzeld,
Dat niemand werd betaald dan met gesmolten geld,
En dat de klok vast droop, wijl men die stond te luien.
Zelfs d'ongestuime zee, dat schriklijk element,
Hield meł met aarde en lucht zo wreden parlement,
Alsof zij allebei wou in haar darmen slingren.
In dees denkwaarde tijd stond Mopzus met zijn vrouw,
En telden elk om strijd op 't ijvrigst op haar vingren,
Wanneer haar bonte koe op 't langst wel kalven zou.


Bron: De 200 bekendste, mooiste ... sonnetten, samenstelling Robert-Henk Zuidinga. - Amsterdam: Sijthoff, 1985.
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster