Willem Godschalk van Foquenbroch (1630-1675)

GEDACHTEN OVER 'T ONBESTENDIG GELUK

Hoe wonderlyk verkeert des weerelds vreugd?
't Zoet word gevolgd van bittere ongeneugd,
En geen geluk, hoe zeer 't de ziel verheugt,
Of 't gansch ydel.

Wanneer men zich in volle voorspoed vind,
Dan denkt men niet op felle tegenwind;
Maar ach! men doolt; want 't los geluk is blind,
En zonder breidel

Die gistren noch een tweede Kresus was,
Vind zich vandaag een Irus; want zo ras,
Als 't luk verheft, zo breekt het weêr als glas
Onze ydle hoopen.

Wie acht dan nu voortaan, ten zy hy dwaalt,
Zyn staat voor vast, als hy in voorspoed praalt?
Wyl 't wankel rad nu klimt, en dan weer daalt
In stadig loopen.

O ydelheid van 't los geluk op aard!
Hy, die op u met schrandre oogen staart
Vind dat gy niet dan zo een wellust baart
Die maakt ellendig;

En hy, die zoekt het alderhoogste goed,
Vertreed om eer en glorie met de voet,
En ziet zyn luk in eeuwige te moet,
En dat 's bestendig.


Bron: Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

Ingestuurd door: rudolpho@euronet.nl