TWEE LEVENSBEELDEN

Verzen, geschreven naar aanleiding der bekende plaat: „The past and the future.”

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

 I

   ’t Lachend oog, vol liefde en licht,
’t Open harte, rein van zorgen,
In den zoeten lentemorgefl
   Staart een blij en blond gezicht.
Uit de wonderschoofle dreven
   Van het onbekend verschiet
   Klinkt een vleiend tooverlied,
      ’t Lied van ’t jonge leven ....
         Op zijn zachte melodij
      Wat al beelden en tooneelen
   Reizen de peinzende ziele voorbij!
      Rozengaarden, luchtkasteelen,
   Kluisjes staêg vol poëzij
Rijke ekwipages of ruischende zalen;
   Zilveren meeren en lachende dalen
      Spelende groepjes van schoonheid en jeugd,
      Groene terrassen, vol leven en vreugd;
Fiere onbekenden, die ’t maagdeljk harte
         Groet, uit de verte,
Groet met een blos, met een droom, met een zucht!
      Op de wolkjes, in de lucht,
Zoo ze geen heerljken bruidstooi ziet zweven,
Toch, als in bruidstooi verschijnt haar het leven,
   Lacht haar de toekomst, zoo rijk en zoo zoet....
      O, Schoone Wereld, wees gegroet!

II

   ’t Stil gemoed vervuld van rouw,
Als de balling naar zijn Eden,
Op de velden van ’t verleden
   Staart de jongbeproefde vrouw.
Stemmen van vervlogen jaren
   Klagen, somber in het rond,
Als ’t geruisch der gele bla€ren
   Over dorren kerkhofgrond:
En, haar jonkheid en haar droomen,
   Wat haar ’t wondre leven gaf,
Wat haar ’t leven heeft ontnomen,
   Stijgt weer opwaart uit zijn graf:
Liefde, die haar kindsheid streelde,
   Oude vriendschap, eerste min,
Hoogtijdagen, bruiloftsweelde,
   Vreugden van het jong gezin:
Al wat ze eenmaal heeft genoten,
   Of, in overzaalgen gloed,
Aan het kloppend hart gesloten, –
   Wat haar hart nog kloppen doet!
   Toch, niet in dees vredige oogen
   Dringt een traan van rouw en – spijt,
   Om uw vreugden, Lentetijd!
Die te wreed de ziel bedrogen
   Toen het uur sloeg van den strijd!
Hier, geen hopelooze smarte,
   Die de schimmen van weleer
   Wil omarmen, eenmaal weer ....
Offer van een lijdend harte,
   Dankend nog voor ’t geen vervloog,
   Rijst haar weemoed, stille, omhoog.
Neen, schoon door den storm verslagen,
De eedle ziele zal niet klagen
   Om de hardheid van haar God t
Had haar leven niet zijn dagen
   Van geluk en van genot,
En – wie zal aan de aarde vragen
   Anders dan het aardsche Lot?
Zoo haar bloemen zijn gevallen,
   Als een lijkkrans, op de baar,
Wat verganklijk is voor allen,
   Moest het eeuwig zijn voor háár?
Is de Wet niet hier beneden,
Dat de Toekomst wordt Verleden?
   Dat de ziele derven moet?
Dat uw beste tranen vloeien
Om ’t geen meest het hart mag boeien,
   Om wat schoon is, edel, goed? –
Dat de bruidstooi, broos-geweven,
   Smetloos langer prijkt en leeft,
Dan het reinst geluk van ’t leven,
   Dat de hoogste Liefde weeft?....
Maar ook – dit ons aardsche strijden,
Al ons lieven, bron van lijden,
   Al ons bloeien en vergaan,
   Waard een glimlach of een traan,
Is ’t niet dus van God gegeven
Tot een doel van hooger leven?
   Brengt des Levens diepste smart
   Niet des Hemels troost aan ’t hart?
Uit uw wondre kerkhofdreven,
   Schoon Weleer! o ruischt er niet
   Ook een zucht, een stem, een lied,
Lied des levens, lied der hope?
   Wijst het graf niet naar omhoog,
   Meer dan eenge tempelboog?
Scheurt zich niet de Hemel open
   Voor het minnend, weenend oog?
Blinkt niet over ’t puin van Eden,
Over ’t stof van ons Verleden
   Nieuwe lentemorgengloed ....

O, Land der Toekomst, wees gegroet!

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001