Anni’s taal

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Geen dichter schiep ooit zoeter taal,
  Geen schrijver maakt zulke zinnetjes,
Als gij, bruin wicht, klein ideaal
  Van al uw moeders vriendinnetjes!

Wie, drommel, leerde u toch zoo lief
  En geestig uw woordjes te schikken,
Te snappen zoo onnavolgbaar naïef,
  Met mondje en handjes en blikken?

Ik heb beproefd te schrijven als gij,
  O schalkje! gewoon zijt te spreken.
Beproefd in proza en poëzij –
  Mijn povere kunst is gebleken!

Uw stemmetje klinkt zoo blij, zoo zoet;
  De woordekens buitlen en trippen,
Vol geur en kleur en toon en gloed,
  U van de rozenlippen.

Dus koosden wis in ’t paradijs
  De reine kinderzielen,
Op vrome, kunstelooze wijs –
  Eer ze in de geleerdheid vervielen?

Gij kunt me zoo zonder grammatika,
  Verbuigen en vervoegen,
Dat ik betooverd te luisteren sta,
  Schier met jaloers genoegen.

Wie leerde u dat?  Dat leerde u voorwaar
  Geen kitt’lig taalgeleerde,
Geen preeker of geen redenaar,
  Wien Siegenbeek bekeerde!

Dat leerde u de goede moeder Natuur,
  Die ook de vogels leert zingen!
Haar lessen zijn, voorwaar, niet duur –
  Doch schraal haar volgelingen.

Dat leerde u de goede moeder Natuur,
  Zij gaf u die tooverklanken....
Beleedig haar nooit, met kunst of kuur,
  Blijf steeds háár eeren en danken!

O, ’k bid voor u, dat ge immermeer
  Moogt praten zoo natuurlijk,
Een kind van onzen lieven Heer
  Nooit deftig of figuurlijk.

Dat ge immer op uw schalke tong,
  Als thans, uw hartje moogt dragen,
Een hartje, zoo rein, zoo frisch, zoo jong,
  Schoon – met wat minder vragen!

Dat uit uw kinderlijk gemoed,
  Zoo geestig en lieftallig,
Uw taaltje vloeie steeds zoo zoet,
  Eenvoudig, oprecht en bevallig!

Dat God u beware voor ons valsch,
  Ons afgesproken taaltje,
Ook voor den Delftschen tongval – als
  Voor ’t Rotterdamsche haaltje!

(1857)



[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.