Bij het beekje

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Terwijl ik staar in ’t spiegelglad
      Van ’t zilvren nat,
Schud ik mijn hoofd; wie ben ik?
Ja, hooge Hemel: Hoe, wie wat?
  Wat wil, wat weet, wat ken ik?
Zie hoe hij lacht – die dwaas, die guit,
  Die leelijkert in ’t water:
Mijn help! mij–zelven lach ik uit
  Met wonderlijk geschater.

O menschenhart, o menschenhart,
      Verschrikt, verward,
Vol zonden, dwaasheên, wonden:
Ik gaf mijn zoetste en liefste smart,
  Mocht ik mij–zelf doorgronden.
Een lach klinkt uit het golvenbed;
  Dat wil zich–zelf begrijpen!
Zoudt ge ook uw beeltnis hier te–met
  In de ooren willen knijpen?


1850

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.