Terwijl ik staar in t spiegelglad
Van t zilvren nat,
Schud ik mijn hoofd; wie ben ik?
Ja, hooge Hemel: Hoe, wie wat?
Wat wil, wat weet, wat ken ik?
Zie hoe hij lacht die dwaas, die guit,
Die leelijkert in t water:
Mijn help! mijzelven lach ik uit
Met wonderlijk geschater.
O menschenhart, o menschenhart,
Verschrikt, verward,
Vol zonden, dwaasheên, wonden:
Ik gaf mijn zoetste en liefste smart,
Mocht ik mijzelf doorgronden.
Een lach klinkt uit het golvenbed;
Dat wil zichzelf begrijpen!
Zoudt ge ook uw beeltnis hier temet
In de ooren willen knijpen?
1850
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.