Jong-Hollandsch binnenhuisje

P.A. de GÚnestet (1829 – 1861)

’s Wintersavond houd ik mij
  In mijn bezig leven
Graag, als ’t mag, een uurtje vrij,
  Zoo van zes tot zeven,
Dan is ’t vroolijk woonvertrek
  Vol gezelligheden;
Nieuwspapier en boekenrek
  Laat ik meest met vrede;
En genietend staar ik om,
  Met mijn dank verlegen
In het dierbaar heiligdom
  Van mijns Heeren zegen.

Alles stemt er vroom en blij,
  Kleuren, tonen, beelden,
Al uw zoete poŰzij
  Kleine levensweelden!
Praalziek was ik nimmermeer,
  ’t Rijmt niet met mijn zeden;
Ik benijd geen mensch zijn eer,
  Geld noch heerlijkheden;
Maar ik ben ’t gezelligst dier,
  En zie! mijn vriendinnen
Stichtten mij een kluisje hier,
  Stemmend ziel en zinnen.

’t Leven is mij lief en waard
  In dat hartlijk uurtje,
Levenslustig in den haard
  Knapt het knettrend vuurtje;
Bij der vlammen heldren gloed,
  Schept men fatazietjes,
Neuriet, stillekens en zoet,
  Ras vergeten liedjes;
Allervriendlijkst begeleid
  Door het lief geluidje,
’t Liedje der gezelligheid,
  Uit het stoomend tuitje.

Po╦zij schuilt overal,
  Overal mijn vrinden!
’t Is de vraag maar wie haar al,
  Wie ze niet kan vinden.
Menig schilder heeft geen oog
  Voor een binnenhuisje,
’k Weet poŰten duf en droog,
  In hun smaakloos kluisje,
Menig boezem blaakt alleen
  Voor het hoogverheven’ –
Mij trekt alles, groot en kleen
  In dit lieve leven!

Doch, mijn kleintjes! gij het meest,
  Springende gedichtjes,
Tintelend van leest en geest,
  Aangebeden wichtjes!
U ook moet dees avondstond
  Allermeest behooren,
U, mijn oudste, zacht en blond,
  Lieflijke eerstgeboren!
U, mijn jongeste, dwaas en blijd,
  Pittig donkerbruintje,
Die voorwaar geens schaduw zijt
  In ons levenstuintje!

Haalt uw schatten voor den dag!
  Zal ik u een toren
Bouwen, die we met ÚÚn slag
  Schaatrend weer verstoren?
Moet ik ook, al wederom,
  ’t Beestenspel verklaren?
Leeuwgebrul en beergebrom
  Pogen te evenaren?
Wilt ge met de komenij
  Of de zuurkraam spelen?
Wat zal ’t wezen „nu ereis”?
  Mij kan ’t, heusch, niet schelen.

Niets van alles! – half tevreŕ
  Komt men vleiend nader.
’t Liefste speelgoed van mijn twee,
  Dat’s haar jonge vader!
Als zoodanig meer geliefd
  (’k Zeg het zonder jokken,
Schoon ’t mijn eigenliefde grieft)
  Dan – de doos met blokken!
Meer dan ’t wilde beestenspel
  Zelfs, trots aap en beeren!
Van uw kinderen kunt gij wel
  Eenige’ oogmoed leeren!

’t Speelgoed dan wordt nu met list,
  Vleien, plagen, lokken,
(Kinderliefde is ego´st)
  Naar den vloer getrokken,
En daar vangt je ’t leven aan!
  Lustige oogjes gloeien,
Mondjes, handjes, voetjes gaan,
  Bij het rustloos stoeien!
’k Geef mij aan uw armpjes prijs,
  O mijn krullebollen!
’k Laat, naar koninklijke wijs,
  ’t Volkje met mij sollen.

Moeders oog staart vroom en zacht,
  Op het dwaas tooneeltje;
Ik geloof wel, daar ze lacht,
  Dankt ze voor haar deeltje
Ik geloof wel, zij geniet
  (Schoon haar de ooren tuiten!)
Meer dan eens, bij ’t smachtend lied,
  Dat ons streelde, buiten,
Als wij samen hand in hand,
  Aan zijn toon gekluisterd,
Dwaalden door het droomenland,
  Daar men dweept en fluistert.

Half gebluscht is ’t eerste vier,
  Purpren koontjes blozen!
Op het wild gegier, getier
  Volgt een zoet verpozen.
Dan bekomend van ’t gejoel,
  Onder duizend grappen,
Zitten we in den grooten stoel,
  Alle drie te snappen.
’k Word beloond soms met een keur
  Geestige gedichtjes,
Al te maal van Gouverneur,
  Lievling onzer wichtjes.

Zeven uren slaat de klok;
  Weelde moet niet duren;
En mijn kippen gaan op stok
  Klokke zeven ure!
Liefde wenkt en niemand dwingt
  Om te blijven hangen;
De oudste noch de jongste zingt
  ’t Liedje van verlangen.
Slechts mijn hart vol zaligheid,
  Stemt het voor de’ Algoede,
Die mij al dit heil bereidt,
  Die ons huis behoede!

Om dees vroolijk avondrust
  In Zijn gunst te smaken,
Wil ik, al mijn dag, met lust
  Werken, zorgen, waken; –
(Is ’t niet voor het daaglijksch brood,
  ’t Is om ’t brood des levens,
Dat slechts de arbeid klein en groot
  Schenkt met vreugde tevens!)
Wil ik, onvermoeid en trouw,
  Kleine kruisjes dragen,
Die mij God ˇˇk schenken wou
  In Zijn welbehagen.

Wat mij toch daar buiten grief
  In ’t aandoenlijk harte.
Immers bij ons huislijk lief
  Bloeit weer troost voor smarte.
Wat me ook treurig tegenviel
  In deze aardsche dreven,
Niet de reinste droom der ziel,
  ’t Zoet van ’t huislijk leven!
Niet de weelde en ’t rijk genot
  Dat uit kinderoogen
Straalt – ten trooste in ’t menschenlot,
  Vrede, zegen, licht van God,
Glimlach uit den Hoogen!


1857

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.