s Wintersavond houd ik mij In mijn bezig leven Graag, als t mag, een uurtje vrij, Zoo van zes tot zeven, Dan is t vroolijk woonvertrek Vol gezelligheden; Nieuwspapier en boekenrek Laat ik meest met vrede; En genietend staar ik om, Met mijn dank verlegen In het dierbaar heiligdom Van mijns Heeren zegen. Alles stemt er vroom en blij, Kleuren, tonen, beelden, Al uw zoete poëzij Kleine levensweelden! Praalziek was ik nimmermeer, t Rijmt niet met mijn zeden; Ik benijd geen mensch zijn eer, Geld noch heerlijkheden; Maar ik ben t gezelligst dier, En zie! mijn vriendinnen Stichtten mij een kluisje hier, Stemmend ziel en zinnen. t Leven is mij lief en waard In dat hartlijk uurtje, Levenslustig in den haard Knapt het knettrend vuurtje; Bij der vlammen heldren gloed, Schept men fatazietjes, Neuriet, stillekens en zoet, Ras vergeten liedjes; Allervriendlijkst begeleid Door het lief geluidje, t Liedje der gezelligheid, Uit het stoomend tuitje. PoËzij schuilt overal, Overal mijn vrinden! t Is de vraag maar wie haar al, Wie ze niet kan vinden. Menig schilder heeft geen oog Voor een binnenhuisje, k Weet poëten duf en droog, In hun smaakloos kluisje, Menig boezem blaakt alleen Voor het hoogverheven Mij trekt alles, groot en kleen In dit lieve leven! Doch, mijn kleintjes! gij het meest, Springende gedichtjes, Tintelend van leest en geest, Aangebeden wichtjes! U ook moet dees avondstond Allermeest behooren, U, mijn oudste, zacht en blond, Lieflijke eerstgeboren! U, mijn jongeste, dwaas en blijd, Pittig donkerbruintje, Die voorwaar geens schaduw zijt In ons levenstuintje! Haalt uw schatten voor den dag! Zal ik u een toren Bouwen, die we met één slag Schaatrend weer verstoren? Moet ik ook, al wederom, t Beestenspel verklaren? Leeuwgebrul en beergebrom Pogen te evenaren? Wilt ge met de komenij Of de zuurkraam spelen? Wat zal t wezen nu ereis? Mij kan t, heusch, niet schelen. Niets van alles! half tevreê Komt men vleiend nader. t Liefste speelgoed van mijn twee, Dats haar jonge vader! Als zoodanig meer geliefd (k Zeg het zonder jokken, Schoon t mijn eigenliefde grieft) Dan de doos met blokken! Meer dan t wilde beestenspel Zelfs, trots aap en beeren! Van uw kinderen kunt gij wel Eenige oogmoed leeren! t Speelgoed dan wordt nu met list, Vleien, plagen, lokken, (Kinderliefde is egoïst) Naar den vloer getrokken, En daar vangt je t leven aan! Lustige oogjes gloeien, Mondjes, handjes, voetjes gaan, Bij het rustloos stoeien! k Geef mij aan uw armpjes prijs, O mijn krullebollen! k Laat, naar koninklijke wijs, t Volkje met mij sollen. Moeders oog staart vroom en zacht, Op het dwaas tooneeltje; Ik geloof wel, daar ze lacht, Dankt ze voor haar deeltje Ik geloof wel, zij geniet (Schoon haar de ooren tuiten!) Meer dan eens, bij t smachtend lied, Dat ons streelde, buiten, Als wij samen hand in hand, Aan zijn toon gekluisterd, Dwaalden door het droomenland, Daar men dweept en fluistert. Half gebluscht is t eerste vier, Purpren koontjes blozen! Op het wild gegier, getier Volgt een zoet verpozen. Dan bekomend van t gejoel, Onder duizend grappen, Zitten we in den grooten stoel, Alle drie te snappen. k Word beloond soms met een keur Geestige gedichtjes, Al te maal van Gouverneur, Lievling onzer wichtjes. Zeven uren slaat de klok; Weelde moet niet duren; En mijn kippen gaan op stok Klokke zeven ure! Liefde wenkt en niemand dwingt Om te blijven hangen; De oudste noch de jongste zingt t Liedje van verlangen. Slechts mijn hart vol zaligheid, Stemt het voor de Algoede, Die mij al dit heil bereidt, Die ons huis behoede! Om dees vroolijk avondrust In Zijn gunst te smaken, Wil ik, al mijn dag, met lust Werken, zorgen, waken; (Is t niet voor het daaglijksch brood, t Is om t brood des levens, Dat slechts de arbeid klein en groot Schenkt met vreugde tevens!) Wil ik, onvermoeid en trouw, Kleine kruisjes dragen, Die mij God óók schenken wou In Zijn welbehagen. Wat mij toch daar buiten grief In t aandoenlijk harte. Immers bij ons huislijk lief Bloeit weer troost voor smarte. Wat me ook treurig tegenviel In deze aardsche dreven, Niet de reinste droom der ziel, t Zoet van t huislijk leven! Niet de weelde en t rijk genot Dat uit kinderoogen Straalt ten trooste in t menschenlot, Vrede, zegen, licht van God, Glimlach uit den Hoogen!
1857
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.