Demon

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Een duiveltje springt rond–end’–om in mijn hart,
Een duiveltje, ach, dat mij fopt en mij sart,
              Een hatelijk knaapje
              Een kittelig aapje,
Dat spot met het liefste, dat grijnst en grimast....
De bron van mijn gruwlen, mijn demon, mijn last.

Als deernis of liefde tot schreien mij dwingt
Als bijkans een traan bij uw lied mij ontspringt,
              Dan zet hij daar binnen
              Zijn leelijken zinnen
Op ’t speuren van dwaasheên in ’t roerende lied....
Mijn eigene verzen.... hij spaart ze mij niet!

Als somtijds een zaak van belang, van gewicht,
Een droevig bezoek of een neetlige plicht,
              Van cijfren en rekenen,
              Bedistlen en teekenen,
Mij voert tot een ernstig of deeglijk gesprek –
Dan plooit hij een lach... van mijn deftigsten trek.

En als ik te–met, in een bui van berouw,
Geleerdheid – als krone des levens beschouw,
              En ’t licht mij gaat schijnen
              Uit grauwe kwartijnen
Vol pluizende noten, dan schudt hij het hoofd,
En zegt dat hij niets van die grappen gelooft,

Hij spot met uw goedheid, gezegende vriend!
Hij vraagt of... wien denkt ge?... mijn achting verdient;
              En als er een steekje
              Mocht los zijn aan ’t preekje
Des Zondags, dan neemt hij mijn stichting, mijn vreê,
Die leelijke Duivel, vaak lachende meê.

En soms – als ik spreek van een duivelschen smart –
Dan knijpt hij, dan bijt hij mij diep in het hart,
              Dan knort hij, dan blaast hij,
              Dan grinnikt en raast hij,
En maakt dat ik nurksch en, wreeder dan wreed,
Al plaag wat ik liefheb en lach met hun leed!


1850

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.