VOORWOORD TOT DE „EERSTE GEDICHTEN”

(EERSTE DRUK)

Vriendelijke Lezer!

Ziedaar een boeksken vol inkonsequenties en vol waarheid. Ik meen dat de laatste een gevolg is van de eersten. De kunstrechter, die hier een zekere eenheid, een zekere richting, een zeker geheel zou willen vinden, wordt dringend gewaarschuwd niet lang te zoeken. Gij ontfangt hier vaerzen en vaersjens, geschreven onder den indruk van ’t oogenblik en de omgevingen des levens, als de Alarmisten, Vriendenraad, ’t Latijnsche school (daar zijn er bij, die voor niets meer willen doorgaan, dan voor een gedrukten glimlach;) anderen gedicht om mij-zelven Hollandsch te leeren, als Spreekwoordtjens, Epikurisch feestgezang; eenige, die de vruchten zijn van min of meer gewichtige revolutiën in hart of leven, als Stem des harten, of.... maar indien ik in bijzonderheden wilde treden en u vertellen hoe deze eerstelingen ontstaan zijn, zou ik geen voorreden maar een intieme biografie moeten schrijven: en dat is waarlijk de moeite niet waard. Voorts moet ik erkennen, dat ik mij eigenlijk nooit heb kunnen begrijpen, waarom men mij een crime heeft gemaakt van dat gebrek aan richting, aan eenheid. Die eenheid is zeer noodzakelijk in een treurspel, maar niet in een jong leven of in „eerste gedichten.”

Eerste gedichten: zoo heb ik dit boeksken metvoorbedachten rade genoemd. Herlees dat opschrift en volg mijne gedachten Het is een voorreden in nuce: daar ligt een verzoek in opgeslôten en een belofte. Het verzoek luidt:

        Surtout, considérez, illustres seigneuries,
        Comme l’auteur est jeune et c’est son premier pas!

Dat is, vrij vertaald: uwe verwachting zij nederig, uwe belangstelling hartelijk, uw kritiek verschoonend. Geloof mij, die bede is meer dan een fraze van nederigheid, van beleefdheid of van een voorreden. Ach, gij moest eens weten hoe wanhopend melankoliek de schrijver-zelf over velen der volgende bladzijden dacht! – Maar dat „eerste gedichten” vooronderstelt en belooft ook, dat deze eerste, door nieuwe, door andere moeten gevolgd worden, indien de dichter leven en kracht mag behouden, dat spreekt. Met de uitgave dezer vaerzen meent hij de eerste korte periode van zijn dichterlijk leven te hebben geëindigd en afgesloten, en dat verlicht hem. Ook op het gebied der poëzy, in menig opzicht „vergetende hetgeen achter is,” blijft „ontwikkeling” zijn leus en zijn lust. Het rijpere leven geeft rijpere stof; vaster worde de hand, scherper de blik, dieper de gedachte; en de sympathie, die hij van vele zijden zoo onverdiend en toch zoo mild genoot, blijve steeds zijn loon en zijn kroon. En dit alles zij geen illusie.

Ik heb nog een plicht der beleefdheid te vervullen jegens u, lieve menschen, die van ver en nabij met zooveel vuur hebt aangedrongen op de uitgave der verhaaltjens in vaerzen, die gij en de uwen met zooveel weldoende belangstelling vereerd hebt bij de voorlezing in verschillende zalen en zaaltjens van het Vaderland. o Vergeeft mij dat ik mijnen schroom wijzer heb geacht dan uwe vriendschap en, hoewel met strijd en moeite Fantasio en Floorneef op een keurig matrasjen van gelegenheids-vaerzen en andere liefhebberjen heb laten rusten in hun bordpapieren mausoleum. Een fragment uit den Amsterdamschen winteravond (ik zeg waarlijk niet het gelukkigste maar het eenige dat ik er uit kon breken) zende ik u uit dankbaarheid, als een albumblad ter herinnering van gelukkige avonduren. 1) Ach weest niet boos op mijn boeksken, omdat ik den moed heb gehad u tegen te vallen.

En waarom houdt gij dan het minst verveelende thuis? – vraagt een schalk. Omdat, antwoord ik, niet alles wat goed is om te worden gehoord ook geschikt is om te worden gedrukt; omdat het een groote waarheid is, die van le ton fait musique, en omdat ik niet wil dat men hatelijkheden zou meenen gedrukt te zien, waar eenmaal, zelfs de gestrenge toehoorder (niet waar?) niets erger dan „een vrolijke dwaasheid” vernam; en eindelijk..., ik belijd u met diepe schaamte deze berekende ijdelheid .... omdat ik het veel amuzanter vind te mogen hooren, dat het jammer is dat die bewuste verhaaltjens ongedrukt blijven, dan te moeten vreezen dat later een of ander gedienstige geest mij uit oprechte vriendschap de mededeeling doet, dat het toch eigenlijk jammer is dat ze wel gedrukt zijn. Heb ik gelijk of niet? „Vrienden en bekenden gelieven deze voor algemeene zoowel als bijzondere kennisgeving aan te nemen.”

De onbekende Lezer, die van deze verhaaltjens geen kwaad weet, wordt verzocht mij niet onbeleefd te vinden, omdat. mijn onberoemdheid zich vermeet met derden te spreken over zaken, die ZEd. niet interesseeren.

Laat ons nu de tijd niet langer verpraten.

Alle liefelijken en alle liefderijken, alle belangstellenden en alle welmeenenden worden hartelijk gegroet door

Amsterdam, 21 November 1851. P. A. de G.

1) In den tweeden druk werd de Sint Nicolaasavond in zijn geheel afgedrukt.