FANTASIO

EEN GEDICHT DER JEUGD

P.A. de Gnestet (1829 – 1861)

door Q. N.

(Voorgedragen, indertijd, in de Maatschappij van Fraaie Kunsten en Wetenschappen te Rotterdam en te Amsterdam, en elders.)

Eerste zang

I

Houdt gij van boston, whist, van hombre of quadrilleeren?
Kunt gij en halven dag verdoen met domineeren?
   Houdt gij van kegelen, van kolfspel of biljart,
   Roulette, rouge ou noir? Hing ooit uw pooplend hart
Aan rood of zwart, aan steen of kaart, aan pinte of ballen?
Zoo ja, – dan zoudt gij mij verschriklijk tegenvallen.

II

Ik weet niet hoe u n dier spelen kan vermaken;
Mij trekt het groene veld meer dan het groene laken,
   De roode rozen meer dan ruite– of harte-troef;
   Mijn hart is voor verlies of winst als waterproef;
Daar is maar en spel, dat mij hartstocht is en weelde,
Daar ’k alles voor laat staan en dat mij nooit verveelde

III

’t Is kinderachtig, haast belachlijk, maar onschuldig!
Heb’ eerbied voor mijn zwak, wie jeugd en gratie huldig’!
   Raketten is mijn lust! ’k zie graag in de open lucht
   Die witte veders in haar sierlijke vlucht;
’k Mag graag den lichten bal, met opgewonden slagen,
In ’t dichtgelokte blond der lieve Partner jagen!

IV

’k Maak mij niet knorrig als ze, in al te wilden ijver,
Den bal terug slaat in de sparren, in den vijver;
   Maar niets zoo prettig, dan wanneer, zoo knap als vlug
   Uw opgekaatste bal de lucht klieft en terug
Geslagen door een hand zoo vast als blank en teeder,
Wel honderd malen vliegt geregeld heen en weder.

V

En daarom lust het mij – gij ziet, mijn lieve Heeren,
Dat ik mij meestal door mijn lusten laat regeeren, –
   En daarom lust het mij, met opgetogen oog
   Die wilde ballen die, als pijlen van een boog,
Ginds over ’t groen terras vr ’t prachtig Buiten vlieden,
En licht nog meer ’t gelaat der spelers, te bespieden.

VI

En waarom zo ik niet een oogenblik verpoozen,
Hier voor het sierlijk hek, omwingerd al met rozen
   En kamperfoelie? Wel, ’t is warm en zomer, ’t is
   Een derde Junidag, – wanneer ’k mij niet vergis –
Ik ben nieuwsgierig en geen tochtje kan mij deren,
Dus laat mij naar mijn lust bespin en fantaseren.

VII

Ginds ligt het witte Huis in donker groen verborgen:
’k Zou van den zomer graag een week vier, vijf, mijn zorgen –
   Daar gaan vergeten! ’t ligt zoo vreedzaam en zoo blij,
   „Hier is men jong, tevren, gelukkig, buiten, vrij,”
Zoo ruischt mij ’t windje door de slanke populieren
En breede linden, die rondom het plein versieren.

VIII

En ’t windje weet het wel! het mengt zich in de kreten,
Die stijgen van ’t terras, die van geen zorgen weten!
   ’t Is alles lach en scherts, muziek in ’t luistrend oor,
   ’t Is leven, vrijheid, jeugd, n kunstloos vreugdekoor!
Dr bij den vijver drinkt men thee in ’t rieten tentje –
En, zoo ik teeknen kon, ik maakte u hier een prentje!

IX

Doch waar’ mij ’t keurpenseel van d’ Italjaan gegeven,
Vast zou ’t Madonnahoofd, op brandend doek, herleven
   Der Schoone, die zich ginds bij ’t opslaan overbuigt,
   Nog schooner dan de blik des schalken knaaps getuigt,
Die juist op ’t oogenblik verward heeft mis geslagen,
Als of zijn oogen iets bijzonder lieflijks zagen ....

X

Rein is de blauwe lucht, maar reiner zijn haar oogen,
En blauw als ’t blauwe gaas, door iedren tocht bewogen,
   Dat om haar leden golft, zoo schoon bij ’t lokkig haar,
   Blond als in d’uchtendgloed de gouden korenaar; –
Zoo niet haar schalke lach u moed gaf en vertrouwen,
Zoudt ge, op een afstand slechts, het wagen haar te aanschouwen!

XI

Ze is jong als de engel Gods, schoon als een bloeiend Eden,
Rank – als een droombeeld uit een dichterlijk verleden,
   Bekoorlijk – als een vrouw, die gij te laat ontmoet
   In ’t leven, die wellicht uw lijden had verzoet,
En, zoo ik ’t wel versta, bij zooveel andre kreten,
Moet zij Maria of Marie of Mary heeten!

XII

Marie! geen reiner naam trilde ooit op dichtersnaren!
Een naam, dien ’k liefheb, sinds mijn eerste kinderjaren,
   De schoonste, die daar ooit van ’s hemels bergen viel,
   Als honing voor den mond en balsem voor de ziel;
Een naam, geschapen uit den lach der engelkoren,
Om eens der schoonste vrouw, der reinste toe te hooren.

XIII

Ave Maria! ruischt door de aardsche doodsvalleien,
Ave Maria! klinkt door ’s hemels palmenreien,
   Ave Maria! lispt de dwepende natuur,
   In ’t uur der Liefde en der Gebeden – ’t schemeruur!
Als langs het koele strand en door de frissche dreven,
Verliefde schimmen van Weleer en Toekomst zweven ....

XIV

Mijn trouwe Hoorders, ik beging hier plagiaten,
En van Barbier, n van Lord Byron – wie kan ’t laten?
   De ideen waren mooi, ze dwaalden in mijn hoofd,
   En dwaas hij, die nog aan oorspronklijkheid gelooft!
De mooiste verzen zijn van anderen gestolen!
Vertrouw die knaapjes niet, die graag in ’t donker dolen!

XV

’k Belijd u graag mijn schuld, al ware ’t op mijn knien, –
Maar ’k heb een passie voor dien eernaam van Mar!
  Niet wijl die naam om ’t hoofd der uitverkoren’ glanst,
   Of als een leliekroon, een eerste liefde omkranst, –
Och neen, die reden waar’ te maanziek en te eenzijdig,
Ik min dien naam en ben op dat punt, onpartijdig.

XVI

Welluidend is zijn klank! wat dichterlijke stralen
Doet hij op ’t blonde hoofd van ’t lieve schepsel dalen!
   Wel was zij schoon – maar ook ’t bedorven kind van ’t Huis,
   Een ieders lief en leed, haar Moeders kroon – en kruis!
En sinds die jonker van daar even haar het hof maakt,
Geloof ik dat haar niets dan enkel zoete lof smaakt.

XVII

En wie was Hij, die ’t hart der fiere maagd bekoorde?
Zij, die zich nooit voorheen aan bleeke wangen stoorde!
   Zoo rijk aan minnaars als aan walzers op een bal,
   Die al de jonkers in den omtrek hield voor mal,
En al de vrijers die haar huldigden, voor dezen,
De gunst’ slechts .... van hen uit te lachen, had bewezen.

XVIII

Hij – ’t spreekt van zelf – was jong en schoon ’en zeer bijzonder,
In’t oog van ’t lieve kind. zoo half en half, een wonder.
   Een lastige log, maar die altijd zijn zin
   In alles daadlijk kreeg. Hij pakte harten in,
Zoo vlug als iemand die zijn linnen, vesten, frakken,
Op reis met voeten in zijn koffers pleegt te pakken!

XIX

Daar voor het tegendeel niet de allerminste grond is,
Beweer ik dat hij even bruin als de andre blond is.
   En als haar kopje zich naar ’t zijne buigt, o zie
   Dan lijken ze op die plaat van Night and Morning, die
Gij mogelijk wel eens gezien hebt in uw leven,
En die gij, zoo ge wilt, aan mij cadeau moogt geven.

XX

Hij was bizaar, vol wilde en romaneske vlagen,
En gestig als – de Gids.... in lang vervlogen dagen,
   Eer hij verbasterd en versuft, bepaald klassiek,
   Zich-zelf lar(d)eerde in Mofsch, Hebreeuwsch en politiek
Eer hij professor werd, vervelend en geleerde,
Geen lieve meid meer groette en eeuwig door studeerde!

XXI

Ja, jolig als de Gids, toen hij een jong student was,
Een schrikbre Groenenplaag, een duchtig malle vent was!
   Een fatje’ in ’t aadlijk blauw gedost, en fijn van huid,
   Een „blauwe Beul” temet; een geniale guit!
Een rijzweep in de hand en sporen aan de laarzen,
Verklaarde vijand van veel proza en veel vaerzen!

XXII

O Gids! – dit en passant – van waar zoo duf en deftig?
Waar bleef uw jonge jeugd, zoo bruisend en zoo heftig,
   Vol spes, vol vuur en vol genie! Zeg, kreeg je een kwaal,
   Of is ’t nu zooals ’t hoort, beleefd, professoraal?
Ampart je deftigheid! n sprongetje’, uit je toga!
Trakteer je vrienden weer op zoeten wijn en Noga!

XXIII

Hij was een gril met vleesch en been, vol geest en gratie,
En onwerstaanbaar in steeds versche konversatie
   Een ziel vol liefde en haat, en schimp en fantazie,
   Vol dissonanten en vol zuivre harmonie;
En daar ’k zijn waren naam u liever wil verbloemen,
Zoo lust het mij den knaap Fantasio te noemen.

XXIV

Hij had de wereld vroeg gekend, haar weelde en zorgen;
Veel ernst en diepte en smart lag in zijn ziel verborgen;
   Hij was ontwikkeld en bedorven door lektuur,
   Een Ridder in zijn vorm, een Dichter van natuur,
Kortom een intressant, een schoon en schittrend wezen,
Die reeds op moeders knie Lord Byron had gelezen!

XXV

Lord Byron! .... o wat knaap, die zijn gekrulde haren,
Wild als de wildheid van zijn zestien, achttien jaren,
   Ooit sierlijk golven liet op d’avondwind in ’t woud,
   Wiens oogblik heerschen kon, wiens harte, vrij en stout
Zich blindlings overgaf aan de Eerzucht, kind der Weeld
Wien ooit het algemeene en ’t Daaglijksch Brood verveelde;

XXVI

Wie dien uw starre blik niet diep in ’t harte schokte,
Uw jonge wanhoop niet verteederde en verlokte.
   Uw Grieksche lauwer niet misleid heeft en verrukt,
   Schoon met den doorn der Pijn, in ’t bleek gelaat gedrukt?
Wie had de Tering niet, die u de ziel doorgriefde?
Wie had de Mary niet, op wie zijn jeugd verliefde?

XXVII

Maar Childe Harold, zoo ik eens in u geloofde,
Als Eva in den slang, die ’t Eden haar ontroofde;
   Zoo ’k eens, op uw gezag, het leven heb geteld
   Geringer dan het stof, mijn verzen of mijn geld;
Zoo ’k immer dweepte, met een ingebeelde smarte,
De menschen haten dorst, de halve wereld tartte.

XXVIII

O sinds ik eenmaal, toen ’k van kiespijn half creveerde,
Mijn eigen ideaal, uit wrevel dissekeerde,
   Held van mijn zwarten Tijd! wat bleef, wat werd er van?
   Hoe leek mijn Lucifer een spleenzieke Engelschman!....
Het martlaarskroontje gle geleidlijk van mijn lokken,
En ’k was aan de’ invloed van mijn boozen geest onttrokken.

XXIX

Uw trotschen Meestertoon verbaasd gelijk te geven,
U half te aanbidden, ’t is een fase in ’t jonglingsleven;
   De knaap, hij buigt niet graag voor ’t koel, gezond verstand,
   ’t Zijn maar drie woorden, om te zeggen: ’k Heb het Land!
Goed staat het, als een snor, op ’t Leven wat te vloeken,
In alles Bitterheid en Ridikuul te zoeken....

XXX

Maar met een kalm gelaat, vergevende en tevreden,
De wereld, als de school des Levens, in te treden;
   Den Mensch te eerbiedigen als ’t godlijkst werk van God;
   Des Wevers hand te zien in iedren draad van ’t lot;
De hand te kussen, die kan wonden en genezen;
Te weten, wat het zegt, waarachtig mensch te wezen ....

XXXI

That is the question! – maar, ik keer, met frissche krachten,
Tot mijn verhaal; gij hebt geen trek hier te overnachten
   En ik nog minder; dus, ik droom of divageer,
   In de eerste vijf  tien minuten, vast niet weer.
Ik grijp den draad, ik leg den knoop nu en wil hopen, 
Dat ik dien straks, bij tijds en netjes, moge ontknoopen.

XXXII

Ik smeek mijn Hoorders nu eens dubbel op te letten,
Gij raadt volstrekt niet wat er komt van dat raketten!
   ’t Spel is nog altoos en met geestdrift aan den gang,
   En duurt de lieve Maagd voorzeker nooit te lang,
Want hij weet telkens iets aan zijn volant te zeggen,
Om aan de voeten der Geliefde neer te leggen.

XXXIII

Maar zie! daar slaat ze mis! dat is een zeker teeken,
Dat zij vermoeid wordt – of naar ’t rijpaard heeft gekeken,
   Dat juist daar even door den jockey voorgebracht, –
   Zijn ruiter – ach haar vrind! – met ongeduld verwacht.!
Half knorrig, half voldaan werpt zij ’t raket ter zijde,
En ik geloof dat zij den jockey haast benijdde.

XXXIV

Het was een hartstocht van mijn ridderlijken jonker,
Te zwerven door het woud, bij ’t scheemrend zomerdonker,
   En nauwlijks ziet hij ’t ros, of brengt een vluggen groet
   Aan heel ’t gezelschap, plukt een roos en grijpt zijn hoed,
En met een wipje springt en glijdt hij in de beugels,
In de ne nog ’t raket, in de andre hand de teugels.

XXXV

Ei, zaagt ge dat? het ging zoo vlug als waar ’t getooverd!
Zoo vlug als Don Juan ooit hartjes heeft veroverd!
   Juist op een oogenblik dat ieder in ’t priel
   ’t Hoofd wendde naar ’t gezang der zoete filomeel,
Die me’ iedren avond in ’t bosschage placht te hooren,
Waarom me’ ook juist die plek had voor de thee verkoren –

XXXVI

Juist in dat omzien, grijpt – uit een sigarenzakje,
Voor ’t kreuklen met veel zorg verborgen in zijn frakje –
   Mijn jonker een volant en slaat dien ’t venster in,
   Dat open venster, dr! een bode zijner Min,
Want in de veertjes lag een rolletje, beschreven
Met ’t allerliefste Fransch, dat Venus in kon geven.

XXXVII

’t Was, als ik zei, ’t werk van een omzien: ’k vind het aardig
En heel bizaar, en dus mijn Held ten volle waardig.
   Hij legt zijn jockey met den vinger ’t zwijgen op,
   En vliegt van daar als een verwinnaar, in galop!
Maar ach, hoe menigmaal de zoetste droomen liegen,
En, Hoorders, waar een bal toch niet al heen kan vliegen!

XXXVIII

Gij denkt, die bal ligt goed in ’t slaapsalet van ’t meisje,
En proponeert haar straks een rendez-vous, een reisje,
   Een schaakpartij, wie weet! Gij, Hoorders-weet het niet-
    De jonker even min, en zoo ’k u raden liet,
Ik vrees, dat ge uw geduld al heel gauw zoudt verliezen
En mij liet staan, met mijn verhaaltjen – in mijn kiezen.

XXXIX

De zaak is, dat er vier, vijf vensters open stonden,
De zaak is, dat de knaap te driftig, te opgewonden,
   Of, door een toeval, zich in ’t rechte had vergist,
   Of door een kleinen tocht zijn doel juist had gemist –
Hoe ’t zij (ik heb ’t verhaal als deugdlijk waar vernomen)
De bal, mijn Hoorders, was in ’t eind te land gekomen – –

XL

Nit op of bij ’t toilet van een bezorgde moeder,
Nit naast de sofa van een plagerigen broeder,
   Nit voor de voeten van een oude, dienstbre geest,
   Die mooglijk boven juist aan ’t wrjven was geweest,
Nit in het slaapsalet der rimpelige tante,
Maar – vlak voor ’t ledekant der Fransche gouvernante.

Tweede Zang

I

Mijn Hoorders, ’k wil geen kwaad van gouvernantes spreken,
Zelfs niet, al zou het zijn om mij van kwaad te wreken!
   Daar zijn er, die ik eer met liefde en stil ontzag;
   Daar zijn er anderen, die ik wel lijden mag;
En met de meesten heb ik innig medelijden,
Al zijn ze ook taal en saai, beschouwd van alle zijden!

II

Ja zelfs met die het meest, vooral op theevisiten,
Als ’k een geheimen traan in ’t lauwe vocht zie vlieten,
   In ’t hoekje van de zaal. De poes alleen maar kijkt
   De juffer smachtend aan – om melk. Geen jonker wijkt
Een handbreed van zijn plaats, om haar een stoel te geven,
Geen vlinder, die rondom de dorre rank wil zweven. –

III

Een hekel heb ’k alleen aan die vergifte spinnen,
Indringsters in de rust der teederste gezinnen,
   Wier hand, als uit instinkt, verdeeldheid, tweedracht zaait,
   Wie alles wel is, mits haar haantje koning kraait,
Die van haar noodlot zich op kleine kindren wreken,
En – druk studeeren in traktaatjes en in –preeken.

IV

Maar ik heb eerbied voor die arme Vreemdelingen,
Die eenmaal zusterliefde en weelde plach te omringen:
   Nu met een martlaarspalm, dor als een bedelstaf,
   God smeekende iedren nacht om een vroegtijdig graf,
Die vreemde luchten en bedorven freules tergen,
Van heimwee smachtend om haar vrinden en haar bergen!

V

Het nieuw persoontje, dat ik nu op touw ga zetten,
Lijkt niet in ’t allerminst op een van dees portretten,
   Zij is geen Spin, geen Feeks, geen jonge Martlares,
   Noch mooi, noch leelijk, ook geen afgetrokken bes.
Zij is haast veertig, maar kan nog voor dertig doorgaan;
Zij laat zich nog al iets op haar figuurtje voorstaan.

VI

Ze is over ’t algemeen zoo taamlijk onbeduidend;
Haar neusje’ is fijn, haar stem is grof en onwelluidend;
   Haar blik is smachtend, en aandoenlijk haar gemoed;
   Ze is heel gevoelig voor een blik, een lach, een groet;
Zij droomt een heelen nacht van een galanterietje,
En in de loterij des huwelijks trok ze – een Nietje.

VII

Haar gouden Eeuw vlood heen, sinds Mary niet meer kind was,
Schoon ze om haar goede ziel in huis nog albemind was,
   Zij had een tikje weg van stille jaloezij,
   Ook hield ze nog al van een lieve plagerij,
En als het mijn verhaal niet al te zeer deed zwellen,
Dan waagde ik ’t wel van haar een grapje te vertellen.

VIII

Maar nooit, schoon ’k anders wel eens met de lui mag gekken,
Nooit zou ik ’t wagen dat gezicht haar na te trekken,
   Dat, toen haar voetjen, op haar kamer, voor ’t soup,
   Juist over ’t lief cadeau van onzen jonker gle,
Zij, bij die vondst en n. die lezing, heeft getrokken;
Zij dronk haar k’raf schoon leg – ze was fameus geschrokken.

IX

Voorts nam ze spiritus, ik meen wel „nitri dulci,”
En meer nog daar ’k mijn maag niet gaarne mee gevuld zie.
   Toen sloeg zij de oogen op, ten hemel – kippevel
   Had ze al een poosje – toen trok ze eensklaps aan de schei
En liet maar weten, dat zij schriklijk pijn in ’t hoofd had, –
Had ze „in haar hart” gezegd, ik zweer, dat ik ’t geloofd had.

X

Nu zat ze bij den glans der maan een uur te smachten,
En ging de zaak eens na, verzonken in gedachten.
   Nu eerst, n zag zij ’t in, hoe Hij haar lang en veel
   En vaak had aangestaard – och arme! zij zag scheel
En dubbel ; ik weet niet hoe ’t anders kon geschieden,
Dat zij des spotters blik hield voor verliefd bespieden! –

XI

Hoe hij aan ’t rijtuig eens haar beentjes had geprezen,
Haar voetjes vergeleek bij die der Pekinezen
   Hoe hij haar Dinsdag had gewaarschuwd voor de tocht,
   Hoe hij haar Woensdag een biscuitje had verzocht,
En – hoe hij Donderdag haar heel intiem verteld had,
Dat hem, twee nachten lang, dezelfde mug gekweld had.

XII

Nu wist ze, dat hij ’t klein Marietje slechts fteerde
Uit vrees dat iemand zou bemerken, wat hem deerde.
   Zij rolt het briefjen in haar handje al heen en weer,
   Snikt, bloost, lacht, niest, schreit, verlievend meer en meer....!
De brief nu, als ik zei, was in zoet Pransch geschreven,
Maar ’k zal hem hier, vertaald in ’t Hollandsch, wedergeven.

XIII

Het is onloochenbaar, dat iedre deklaratie!
Om de eigen spille draait, bij ieder volk en natie.!
   Hoe kunstloos of gesierd, hoe ernstig, wild of dwaas,
   En woordje machtiger dan allen, speelt de baas.!
Na iedre voorrede, iedren omweg volgt – quand mme –
Ce mot, le mot des Dieux et des,hommes: Je t’aime!

XIV

Dit laatste Fransche vers is zeer direkt gestolen!
Van „glimworm Viktor Huig, het puik der kapriolen,”
  ’t Geen weer gestolen is uit Jonckbloet’s geestig boek,
  Belan met Fuhri’s dank en ’s Gravenhage’s vloek,
Die wer gestolen heeft, waarschijnlijk van een ander,
Waaruit gij leeren kunt Mijn broeders, helpt elkander

XV

Maar ’k heb u straks beloofd niet telkens af te dwalen,
En zou U, naar ik meen, dien keur’gen brief vertalen.!
   ’k Moet eerst nog zeggen, dat daarin Maris naam
   Niet stond vermeld en hij voor alle meisjes saam,!
Die zich verbeelden mooi en blond te zijn, geschikt was,
Schoon hij in eer en deugd op ne maar gemikt was.

XVI

Toch waant niet, dat ik aan de letter nu wil hangen,
Ik ben geen letterknecht, met afgevaste wangen,!
   Geen lange, dorre staak, geen taaie knutslaar, die 
   Zijn zaligheid verwacht van ’t puntjen op een i!
Ook zweer ik u, dat nooit mijn vroolijke oogen knipten
Van ’t turen op in ’t Grieksch gekrabde manuscripten.

XVII

De Geest, de Geest alleen maakt vrij! de doode letter
Doemt u tot slaven! Ziet den suffen letterzetter,!
   Of, wat mij ’t zelfde dunkt, den ouden kamerrot,!
   Die perkamenten kauwt, en in wiens geest, de mot,!
(Het vliegje des verderfs,) als in zijn boeken huishoudt,!
Wiens vunze lettertaal geen reedlijk mensch voor pluis houdt!

XVIII

De geest dan van den brief mijns jonkers was potisch,
En meer dan ’t lied, dat ik u debiteer, pathetisch.
   ’t Was aaklig, schreef hij, voor een jong en minnend paar,
   Altijd omringd te zijn van heel een Argus-schaar,
En immer, waar men school in ’t liefst en donkerst laantje,
Een blik te duchten – ’s nachts had men alleen het maantje.

XIX

„Een reine liefde mmde een zalig tte--tte,
Rien d’aussi tendre et pur, qu’une fiamme secrte,
   Niets zoo welsprekend als de stilte; niets zoo kuisch
   Als de adem van den nacht en ’t westewindgesuis.!
’t Stond goed, de starren slechts, de heilige flambouwen,
Het eerst en zoetst geheim der liefde te vertrouwen....”

XX

Et ctra! ’t kwam er op, dat hij een rendez-vous vroeg:
(Zij zou wel zien straks, hoeveel kusjes hij nog toevroeg!)
   ’s Nachts – ’t was toch niet te koud? – ’s nachts om een uur of twee,.
   Vr op ’t balkon, – prudence – amour – fidelit
Hij had gezegd, dat hij niet thuis was voor ’t soupeeren,
En de avond, licht den nacht, maar buiten bleef passeeren.

XXI

Men was sinds lang gewend aan ’s jonkers vreemde kuren,~
Ook, als zijn avondrit soms in den nacht mocht duren,
   Werd niemand ongerust. Hij was al vaak verdwaald;
   Eens had hij in het bosch twee stroopers achterhaald.
Hij onderzocht of ’t wel in ernst op ’t kerkhof spookte
En de oude Heks van ’t dorp daar kinderbeendren kookte.

XXII

Hij wist zoo dweepend van zijn tochten te vertellen,
Dat Mary hem wel graag in stilte eens wou verzellen.
   Ook zei hij, de avond is gezond en koelt mijn hoofd
   – Hij had nog nimmer aan verkoudheid recht geloofd –
Soms sprak hij ernstig van die heilige gedachten,
Die rijzen in de ziel, in stille zomernachten.

XXIII

Nu was hij weder her– en derwaarts heengezworven;
Eerst naar den Jager, waar de moeder was gestorven;.
   Daar sprak zijn teedre ziel een woord van moed en troost,
   Hij kuste, met een traan in ’t oog, ’t verweesde kroost;
De woeste knaap scheen als een Engel in hun midden,
Die God voor ’t arm gezin om kracht en hulp kwam bidden.

XXIV

Toen was hij pijlsnel naar de boerderij gevlogen
En zwolg een groot glas bier met toegeknepen oogen,
   Stak zijn sigaar op, en zoo onverwacht, als koen,
   Gaf hij de boerendeern een hartlijke’ afscheidszoen,
Die geurig klapte en klonk, en zei : „ziedaar, me lammetje!
’k Heb achting voor je bier en dankje voor je vlammetje!”

XXV

Hij vroeg het uur, helaas, pas tien, hij rijdt nog even
Het watermolentje’ om, langs ’t park, de vijverdreven;
   ’t Was elf in ’t dorp ; ai, ’t was nog altijd veel te vroeg,
   Schoon ’s minnaars bruisend hart zwaar als de dorpsklok sloeg,
En vlugger dan de hoef van ’t paard begon te kloppen: –
Mijn jonker was verliefd tot in zijn vingertoppen!

XXVI

Zeg hebt gij ooit een uur doorworsteld, dat u scheidde
Van ’t oogenblik, waarop uw meisjen u verbeidde?
   Kent gij die foltring, waar ook ’t ijzren mannenhatt
   Voor wegsmelt? langste, wreedste en zoetste en terste smart!
Als iedre zenuw slaat aan ’t prikkelen en kittelen –
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ..

XXVII

Kent gij die pijn? ’k hoop ja voor u en mij, Meneeren.
Want ’k heb geen lust om haar thans meer te detailleeren,
   Ik wou mijn veder liefst niet doopen in het bloed
   Van ’t ongeduldig hart en terverliefd gemoed,
En zou mij-zelven niet aan die descriptie wagen,
Al kwam mij ’t liefste kind het op haar knietjes vragen.

XXVIII

Veel liever geef ik een medaille, in goud gesneden,
Hem, die mij zeggen zal, wie ’t meeste heeft geleden:
   De jonker, die daar vloekt van passie, op zijn paard,
   Of zij, die telkens uit het open venster staart,
En dan weer nerzijgt en uit wanhoop en misre
Verscheiden pluisjes plukt uit ’t dons van haar voltaire?

XXIX

Maar ’t uur der liefde naakt en ’t eind der liefdeween!
De toren zingt het lied der minne: kwart voor tween!
   Hij spoort zijn ros, hij vliegt : o toef mij, zoete Bruid!
   Me galoppeert zijn hart en bonst en jaagt zoo luid,
Als – ’t hart der jongeluI, die na hun staatsexamen,
Den uitslag wachten van dat kannibaalsch tentamen!

XXX

O, zeg toch nooit, dat wij zoo schriklijk flegmatiek zijn,
Als of we altos verstopt, verkouen, suf en ziek zijn!
   Dat nooit een Hollandsch hart in brand kan vliegen, maar
   Steeds als’s Lands turven smeult, vervelend, langzaam, naar;
Ik ken er nog wel meer, met vuur en kwik in de aderen,
Geheel verbasterd van de stemmigheid der vaderen!

XXXI

’t Is waar, de landaard is hier ver van aardig, vroolijk,
Enthousiast, vol vuur of amusant en oolijk;
   Maar, lieve Hoorders, ’t is de schuld van ons klimaat
   En van ons weerglas, dat altijd op najaar staat;
Wij gaan met parapluis steeds langs beslijkte wegen,
En worden taai als leer, doorzieperd van den regen!

XXXII

Maar ducht ik voor mij-zelf dat natste der klimaten,
’k Heb toch mijn Holland lief, gelijk een visch zijn graten.
   Ik ben er om– er aan– er in– er doorgegroeid,
   Ik zwem al door het nat, daar ’t land van overvloeit,
En schoon heel kolijk, ’k heb nog altijd stof tot danken
Dat ’k niet bij d’ ijsbeer aan de Noordpool zit te janken!

XXXIII

Ook is ’t me een wellust mij nog somtijds op te winden,
Te dwepen bij het stof der lang ontslapen vrinden,
   Der beste Bestevaers, avunkels onzer roem
   Mij op te frisschen bij den heldren glans der bloem
Van Hollands glorie, die haar geur spreidt door de blaren
Van ’t oud geschiedboek en de jonge dichtersnaren!

XXXIV

O, groene martlaarspalm door de englen zelf gevlochten,
Toen Nerland tachtig jaar voor Waarheid had gevochten!
   O, Maurits, Vondel, held en zanger, gij, van God!
   O, Fredrik-Hendriks eeuw! O, faam van ’t Muierslot!
Wat zangen, die men zong, wat strijden, die ze streden....
Maar jammer, dat het al zoo’n poosjen is geleden!

XXXV

Dit ’s van mijn zwerversgeest wer een vervelend staaltje,
Maar ’k heb intusschen, in mijn kunsteloos verhaaltje,
   ’t Kwartier van spanning en verwachting aangevuld; –
   Och, beste Hoorders, gij hebt tienmaal meer geduld,
Dan onze held, die lang zijn laatste had verloren,
En toont het door mij zoo geduldig aan te hooren!

XXXVI

Hoort gij de schelpen niet al kraken voor het Buiten?
Hoort gij daarginder nog geen venster opensluiten?
   En merkt gij hoe de man zich met haar vollen lach
   Juist eventjes verschuilt? niet uit een kuisch ontzag
Of uit diskretie, neen! om strakjes zonder schroomen,
Om bij de ontknooping schalk en spottend wer te komen.

XXXVII

De knaap had al van ver het licht in ’t oog gekregen;
Hoe zalig klopt zijn hart, zijn blonde Mary tegen!
   Zij had zijn be verhoord en in zijn trouw geloofd!
   Nooit schudde ’t lokkig haar hem trotscher om het hoofd!
Hij komt – zij wenkt – hij ziet een witten zakdoek wuiven
Hij gaat met paard en al het venster binnen stuiven....

XXXVIII

Goddank, hij weet bijtijds zijn klepper in te toomen,
De hoefslag lost zich op in ’t ruischen van de boomen.
   Hij stapt van ’t paard, hij treedt voorzichtig, zachtjes, slim,
   Tot aan ’t balkon – de held berekent al den klim –
’t Is nog zoo hoog niet – stil – hij lispelt: „o Charmante!
– Nog is het katje grauw.... daar brult de Gouvernante!

XXXIX

Stort in, o marmer, stort op mijn bedorven jonker!
Verschuil u, zilvren maan, kwijn weg, o stargeflonker!
   Verberg voor eeuwig in uw boezem, donkre nacht,
   Zijn jammerlijk figuur, dat hij zoo schittrend dacht!...
’t Is mis, de lucht blijft klaar, de maan komt weer en grinnikt
Vol helschen spot, de wachthond blaft, de klepper hinnikt. .

XL

Eerst was Fantasio versteend ter zij’ geweken,
Hij dacht de Nemesis der romaneske streken
   Te aanschouwen, – maar, bij ’t licht der opgekomen maan,
   Ziet hij met open arm de „juffer” voor zich staan!
– Nu denkt hij niets meer, maar hij gilt en snikt en schatert
Van zenuwachtigheid, dat ’t in den omtrek klatert!

XLI

De blonde Mary sliep den slaap van zestien jaren.
Zij droomt, dat zij haar vrind een bosje bruine haren,
   Al stoeiend, voor haar ring, ontrooft – hij gilt – ze ontwaakt,
   Zij richt zich overeind – zij luistert – schrikt – zij maakt
Zich bang; ’t zijn dieven! hoor! zij wil aan ’t schelkoord trekken,!
Maar neen, voorzichtig, zacht, zij gaat haar moeder wekken.!

XLII

Nu raken eerst in ernst de poppen aan het dansen,
Als heksen op de he bij zomeravondglansen!
   Mijn Saffo en peignoir kijkt alleraakligst zuur,
   Mijns jonkers oog schiet spot en laster, vloek en vuur!
’t Is klaar, dat hij nog aan geen mal figuur gewend was,
En van een trotsch en woest en vreemd temperament was.

XLIII

En ondertusschen ging daar stil een venster open
Op Mary’s slaapsalet, en op haar teenen slopen
   Twee schimmen langs ’t kozijn en zien – en zien – ja wat?
   Gij weet het, Hoorders! doch ik zeg alleen maar: dat!
Een scne, daar ik haast geen naam voor weet te vinden,
Een ridikuul dat ik niet toewensch – aan mijn vrinden.

XLIV

En op ’t geschreeuw kwam ook de Tuinman toegeschoten,
Met twee gespierde knechts, tot ’t uiterste besloten,
   Gewapend met een hark, een zeissen en een schop;
   En oogenblik nog en – Fantasio krijgt klopt
Gelukkig hij, dat daar geen snaphaan bij de hand was;
’k Geloof waarachtig dat hij anders al van kant was!

XLV

Nu zinkt hij op de knie: „o God ik ben bedrogen!
Mijn Mary, is de bal niet in uw raam gevlogen?” –
   „Gedebaucheerde knaap!” bijt hem de moeder toe:
   „Mademoiselle! et tol, folle d’un petit fou!”
’k Meen, zoo dit laatste woord den jonker niet ontsnapt was,
Dat hij dan schriklijk in zijn point d’honneur getrapt was.

XLVI

Hij kon niet meer, hij was kapot; de juffer, blazend
Van spijt en angst; de vrouw des huizes, dol en razend;
   ’t Was alles in de war, hier ’t hart en daar het hoofd.
   Het was een drama, maar met dwaashen als doorstoofd.
Ach, niemand van de akteurs begreep er recht de klucht van,
Alleen Marietje had er eventjes de lucht van.

XLVII

Toch was zij boos en sloeg op d’armen knaap twee oogen,
Die hem doorboorden, als twee bliksems uit den hoogen.
   Daar was geen houden aan ’t rampzalige, figuur!
   Hij, vroeger steeds fripon, was dupe sinds een uur!
Hij vliegt te paard : „Vaarwel, ’k zie nooit mijn Mary weder”....
En ’t somber treurgordijn valt zwaar en statig neder.

Laatste Zang

I

„En kregen zij elkar nog eindlijk en ten leste?”
Mij dunkt van j, want die ontknooping is de beste,
   En ieder Meisje, dat romans – in proze of maat –
   Met ijver leest, kijk eerst, met de onrust op ’t gelaat,
Naar ’t laatste pagina: „of zij elkandren krijgen” –
Zoo niet, dan had de Auteur voor haar part mogen zwijgen.~

II

En dus, al zou ’k er ook maar onbeschaamd om liegen,
’k Zou, lieve Hoorders, eer u twintigmaal bedriegen,
   Dan u te martlen, dan een droeven maagdevloek
   Te laden op mijn hoofd, bij ’t einde van mijn boek:
’k Zag liever, u ter eer, een honderd paren trouwen,
Op ’t eind, dan dat ik om een enkel u liet rouwen.

III

Maar daar is eerst toch heel wat leven voorgevallen.
Mademoiselle kreeg, om n bal, al de ballen
   Of liever pijlen, die de terste moederzorg
   En ’t maagdelijkst vernuf! ooit in hun koker borg,
Naar ’t hoofd! ’t was te indecent om heel veel van te praten,
En – met Augustus – zou zij toch ’t gezin verlaten.

IV

Hebt ge ooit er iemand zoo vervaarlijk in zien loopen?
Of duurder een genot – neen, een verkoudheid – koopen?
   Geen wonder, de arme had gehuiverd en gezweet,
   En – trots ’den warmen nacht – zich toch te dun gekleed.
Zij dacht volstrekt niet aan een shawl, in haar confusie,
En zij verloor haar eer – gezondheid – en illusie!

V

Des andren daags – maar, om mijn hoorderes te plagen,
(Ik houd van plagen!) ’k wil de ontknooping wat vertragen;
   Ik heb volstrekt geen lust mijn lieven, laatsten zang
   Zoo af te raff’len, en ga wer mijn ouden gang,
Stil, kalm en deftig en geregeld aan ’t vertellen;
’k Zal eerst mijn jonker op zijn dwaze vlucht verzellen.

VI

Hij vlood – hij wendde ’t hoofd niet meer – hij was gevloden!
Pijl-, vleugel-, bliksemsnel, snel als de rit der dooden,
   Bij ’t aaklig hop-hop-hop in Burger’s meesterlied,
   Snel als de Pegasus, dien niemand loopen ziet,
Snel als gelieven, die gestoord zijn, door het loover;
Hij maakt de heuvlen glad, hij stuift de vijvers over.

VII

Maar schoon ’t zijn wanhoop wel een beetje door kon luchten –
Ach, hoe hij rende of vlood, kon hij zich-zelf ontvluchten!
   ’t Is maar een leenspreuk, die van: springen uit je vel!
   Hij was, als Manfred, hij zijn eigen Duivel, Hel,
Hij was wanhopend en verliefder dan te voren,
En in zijn eigen oog bedorven en verloren.

VIII

’k Heb ook wel eens beproefd mij-zelven, mijn gedachten
Te ontvlieden; menigmaal in slapelooze nachten,
   Of bij een donkren dag van ’t najaar; ik ben meest
   Een paar uur in de week mij-zelven tot een geest
Van kwelling, en hoe meer ’k mij-zelf dan wil vergeten,
Hoe vaster ik mij-zelf als aan mij-zelven keten!

IX

Ik zoek vergeefs mijn zIel en zinnen af te leiden,
Den geest, (den Booze!) van het lichaam af te scheiden;
   Ik zwem, ik wandel, ’k scherm, ’k rij paard en jaag naar vre,
   Mijn Demon zwemt en schermt en rijdt en wandelt mee;
’k Schreef ter verstrooiing ook dit vers, in bange dagen,
Van zielsnerslachtigheid en donkre weemoedsvlagen.!

X

Denkt, bij den hemel, niet, dat ik die stemming aardig
Of intressant vind, neen! ze is jong en oud onwaardig.
   Gelijkheid van natuur, blijmoedigheid van geest
   Is ’t zalig deel van hem, die God – geen menschen – vreest.
Dwaas, die zich door zijn vrouw laat diaboliseeren,
Maar dwazer nog, die door zich-zelf zich laat regeeren!

XI

Dit ondertusschen is een proefje van mijn preken,
Een snuifje, dat wie ’t lust, of niet lust, op mag steken,
   En niest ge er van, zooveel te beter, arme vrind!
   Dan komt de ko uit ’t hoofd, de wrevel en de wind.
’k Gaf ook mijn jonker tijd om even uit te blazen
En op zijn noodlot en zich zelven uit te razen.

XII

’t Ging hem als mij, zijn land groeide aan, met de oogenblikken,
’t Was alles tandgekners en afgebroken snikken.
   Hij zag in ’t donker, in de diepte van het woud,
   Al Gouvernantes, mooi en leelijk, jong en oud.
En ’t had mij niemendal verwonderd, als zijn haren
Des andren daags vergrijsd of uitgevallen waren.

XIII

Hij ziet in ’t hakhout niets dan monsters, kleine dwergen,
Met Amorsboogjes, die hem onophoudlijk tergen;
   Ha! daar ’s nog uitkomst in den vijver, die hem noodt,
   Met lisplend golfgeruisch, te rusten in zijn schoot.
Maar hij bedacht zich, wijl het denkbeeld oud en plat was,
En mooglijk ook wel – wijl het water koud en nat was.

XIV

Och keer, Fantasio! en ga vergifnis smeeken!
Hij buigen? neen, veeleer van woede bersten, breken!
   Maar ei, hij is verliefd tot over de ooren toe,
   Zijn rit wordt minder snel, zijn ros is doodlijk mo,
Hij stapvoet – hij bedaart – zal hij de teugels wenden?
Hij stijgt van ’t paard en zinkt in diepte van dienden!

XV

Hij zinkt op ’t mos ter ner, dat met zijn zweet bedauwd werd,
Daar ’t in en om zijn hart al meer en meer benauwd werd;
   De kies breekt pijnlijk door – ten leste – van ’t verstand.
   Hij strijkt zijn voorhoofd koel, met de effen,~ kleine hand,
De traan der Boete ontwelt zijn oog en, van zijn lippen,
Laat hij – als een Gebed – zijn Mary’s naam ontgiippen.

XVI

En „Mary” zucht de wind en ruischt het geurig loover,
En „blonde Mary” klinkt de blonde heuvlen over,
   En „blonde Mary” lispt het bruine beukenblad,
   En de Echo roept dien naam, dien hij heeft liefgehad
Sinds lange jaren! o, Fantasio, keer weder
En zoek vergifnis aan dien boezem, jong en teeder!

XVII

„Keer weer,” vermaant hem ’t lied der jonge boschkoralen
„Vergifnis,” spreekt de glans der koesterende stralen,
   Opdagende uit het oost, en ’t lelietje van ’t dal
   Mengt ook een zacht akkoord in ’t lieflijk toongeschal,
En leert hem, hoe hij stil en needrig en bescheiden,
Op boete en diep berouw zijn Trots moet voorbereiden.

XVIII

Hij worstelt wel een poos nog met zijn beetren Engel,
Als met den frisschen wind een reeds geknakte stengel
   Maar eindlijk buigt hij ’t hoofd en neemt een kloek besluit
   En zweert voor eeuwig, aan de voeten van zijn bruid,
Zijn wilde dwaasheid af, zijn grillen en zijn snorren,
En gaat voor haar zich als een schoolknaap doen beknorren.

XIX

Ik voel mij hier verplicht mijn Hoorders me te deelen,
Dat mijn verhaaltje mij ontzachlijk gaat vervelen.
   Hoe ’t komt op eens? helaas, misschien uit sympathie
   Of – wijl ik van het staan zoo’n pijn krijg in mijn knie;
Ik weet het niet, maar ’kwou wat versche lucht gaan scheppen,
En zal mij dus voor uw en mijn pleizier wat reppen.

XX

En ’s middags, in het vuur der zomerzonnestelmn,
Vroeg daar een Boetling, voor het hek, mevrouw te spreken:
   Men weigerde in het eerst den armen knaap gehoor,
   Maar hij hield aan, hij riep en smeekte, hij drong door,
Ach, zoo n losbol ooit, was hij vergifnis waardig,
Zoo bleek, ontdaan, vermoeid, bekeerd, verliefd, boetvaardig.

XXI

Hij deed een voetval en begon met zacht te stamelen –
Om langzaam aan zijn flux de bouche te verzamelen –
   Hij helderde alles op, beloofde, vleide en drong,
   Gebroken was zijn hart, maar wondren deed zijn tong;
Enfin, hij kreeg een jaar van boete, deed een reisje,
Studeerde een poos nog, promoveerde, en kreeg toen ’t meisje.

XXII

Maar ’t lesje had gewerkt. Hij bleef hetzelfde wezen
Van vroeger niet; hij was veranderd en – genezen.
   Niet meer zoo wuf! en dwaas, hooghartig en bizaar;
   Hij werd eenvoudig en verstandig, kalm en waar.
Hij zag zijn Mary aan, met zachter, wijzer oogen –
Mijn Hoorders, was die bal wel zoo verkeerd gevlogen?

XXIII

o Dat van uw vernuft, gij Zanger van het leven!
Mij op dit oogenblik een greintje waar’ gegeven,
   Gij, Christen zoo vol ziel en Dichter zoo vol schats,
   o Lust van Prins en Boer, o beste vader Cats!
Wat zou ’k uit mijn verhaal een fijn moraaltje spinnen,
Voor dwaze pronkertjes en zoete, ronde kinnen!

XXIV

O, mocht ik in den geest des lieven grijsaards spreken,
Tot u, o lieve jeugd, en van uw domme streken,
   Op mijn besneeuwde kruin ’t kalotje van fluweel,
   ’k Gaf elk van ernst en boert een evenmatig deel –
’k Ben ondertusschen blij, dat ’k voege bij de jongen,
En had u anders vast dit lied niet voorgezongen).

XXV

’k Trok tegen u te velde, o rare muizenesten
En grillen, die het brein verwarren en verpesten!
   ’k Trok tegen u te velde, o dwaze, droeve zucht
   Van knaap en maagd voor al wat vreemd is in de lucht
’k Gaf iedereen een neus en lessen in vrijage,
Ik rijmde dier op zwier en page op bosschage!

XXVI

Ik sprak tot iedre maagd van om de veertig jaren;
Laat, zoo ge wijs wilt zijn, de jonge minne varen!
   Verbeeld u niet dat ge een magneet zijt, en pas op
   Dat gij u-zelve kent, dat u geen toeval fop’!
En kijkt een heer u aan, kijk gij dan naar ’t gezichtje
Van uw logeetjen, of uw dienstmaagd, of uw nichtje.

XXVII

Ik sprak tot iedre maagd, die ’t hoofd vult met romannetjes
En verzen: schaapjelief, pas op de Don Juannetjes!
   Houd oog en oor en hart en mond en venster toe!
   Doe nooit met schaken mee of kwalijk rendez-vous;
En stel die heeren, die zich onwerstaanbaar droomen,
Eerst maanden op de proef: ’t kon je anders slecht

XXVIII

Gij, jonker, schud vooral de krullen uit uw zinnen,
Wees naarstig zoo ge wilt, maar deeglijk in ’t beminnen,
   En wordt gij ooit verliefd, maak een huishoudlijk plan,
   Blijf ernstig en bedaard, gedraag u als een man:
Ik raad u eerst alleen een singeltje’ om te wandelen,
En nimmer en volant die dingen te behandelen.
1847-48.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001