Levensfilosofie

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Bij het ruischen van uw boomen
  Leeft gij matig en tevreên;
  Roept geen menschen om u heen,
Ziet uw gasten gaan of komen
  Zonder leed of zonder lust –
  Snoevende op uw wijze rust.

Gij beschimpt de kalverzeden...
  „Eenzaamheid is ’t bangst verdriet:
  Boomen – zegt gij – spreken niet.
Smaak uw groene eentonigheden!
  Onder menschen, in de stad,
  Is het leven, is mijn schat.”

  „’t Buitenleven – lanterfanten!
  IJdelheid – uw stadsgerucht!
’k Geef om mensch, noch boom, noch lucht;
  Ik leef bij mijn folianten:
  Dat zijn vrienden waar en wijs;
  In mijn cel is ’t Paradijs!”

„Paai! die Mädchen! boomen, menschen,
  Boeken? – och, een aardig kind
  Is mij boek en bloem en vrind,
Summum van mijn aardsche wenschen!
  Waar het oog der liefde straalt
  Is mijn hemel neergedaald!”

Boomenkweekers, wereldlingen,
  Celbewoners, jongeliên,
  In uw plaats, zou mij het spleen
Uit mijn jeugdig vel doen springen!
  Toch roem elk zijn keuze vrij
  Als de slimste; maar voor mij,

Om door ’t leven heen te komen,
  Wijsheid zoekend met een lach,
  Heb ik noodig dag aan dag,
Menschen, meisjes, boeken, boomen,
Vreugden, smarten, dwaasheên, droomen,
  Zielestrijd en luit–akkoord,
  Vriend en vijand, en zoo voort,
  Met nog twintig kleinigheden
  Om mij telkens te vertreden.


1847

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.