Het knaapje sluimert! maar de moeder aan zijn sponde
Bespiedt de onvaste rust van t krank en lijdend kind;
Ach, hoe dat hoofdje gloeit! t Is alles stil in t ronde,
Doch in heur ziele met, die vreest, zooveel zij mint.
O God, waar hier op aard wel t innigst wordt gestreden?....
Aan t kinderziekbed, Heer! Daar buigt ook t twijflend hoofd
Des fieren mans zich neęr met staamlende gebeden;
Geen moeder die niet bidt en in haar God gelooft!
Aan t kinderziekbed, Heer! daar worstlen in de harten
Gedachten, waar het hart voor week wordt, of voor breekt.
Daar lijdt een liefde, die bij t foltren van haar smarten,
Uw Liefde zoeken moet en vurigst tot Haar smeekt.
Ook nergens, stil geloof, is deze Liefde u nader,
Dan waar uw lijden klimt, bij t klimmen der gebeęn....
Van t krankbed van ons kroost trekt gij ons hart, o Vader
Ten Hemel uwer kindren heen.
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001