Zachte, frissche lentestralen, Liefdegeur en liefdegloed Stroomen door dees rijke dalen, Stroomen in mijn blij gemoed. Zegen heb ik mild ontvangen.... Nochtans in mijn eenzaamheid Heb ik bij mijn blijdste zangen Menig stillen traan geschreid. Neen, in t groote rijk der smarte Ben ik lang geen vreemdling meer; In mijn pas ontloken harte Klinkt een stem reeds van weleer: Waar ik van Gods gunst verhaalde, Dacht ik: Hoe t mij wezen zou, Als uw blik mijn lot bestraalde, Moederliefde, moedertrouw! Maar niet luide zal ik klagen, Voor de menschen zeker niet. Vriendlijk, als dees blijde dagen, Klinkt voor elk mijn dankbaar lied. Gij slechts geesten van t verleden Voert mijn diepe, stille klacht Voor den Hoorder der gebeden, In dees stillen lentenacht!
1850
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.