In gelukkige dagen

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Zachte, frissche lentestralen,
  Liefdegeur en liefdegloed
Stroomen door dees rijke dalen,
  Stroomen in mijn blij gemoed.
Zegen heb ik mild ontvangen....
  Nochtans – in mijn eenzaamheid –
Heb ik bij mijn blijdste zangen
  Menig stillen traan geschreid.

Neen, in ’t groote rijk der smarte
  Ben ik lang geen vreemdling meer;
In mijn pas ontloken harte
  Klinkt een stem reeds van weleer:
Waar ik van Gods gunst verhaalde,
  Dacht ik: Hoe ’t mij wezen zou,
Als uw blik mijn lot bestraalde,
  Moederliefde, moedertrouw!

Maar niet luide zal ik klagen,
  Voor de  menschen – zeker niet.
Vriendlijk, als dees blijde dagen,
  Klinkt voor elk mijn dankbaar lied.
Gij slechts – geesten van ’t verleden
  Voert mijn diepe, stille klacht
Voor den Hoorder der gebeden,
  In dees stillen lentenacht!


1850

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.