Toen ik hem daaglijks sprak en zag Dat vriendlijk oog, dien milden lach Beminden wij elkander; Toch hield ik, zoo verbeeldde ik mij, Iets meer van menig ander; Van jonger vrienden, dwaas en vrij, Vol opgewonden jong gevoel, Want hij was kalm en scheen wel koel.... Maar nu de vriend mij is ontvallen, Nu voel ik t aan mijn lange smart, Nu klaagt, nu weet mijn eenzaam hart: Hem had ik t liefst van allen!
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.