Gij zijt het zout der schoone dichterzangen En zonder u is dichtkunst ijdelheid; Gij zijt de zon, die licht en leven spreidt In t jong gemoed, vol onbestemd verlangen, Vol droomen, vol gevoel, vol dweperij Gij vormt ons hart tot ware poëzij! Gij wijst den Man den rechten weg door t leven, Want gij verzoent den jongeling met de aard, Die hij zijn werk, zijn kracht, zijn liefde onwaard Gekeurd had; en gij heiligt al zijn streven Tot menschenheil uit reine menschenmin, En prent hem t doel des aardschen levens in! Gij rukt van uit der menschen scheemrende oogen De balken van vooroordeel, zelfzucht, spot; Gij wijst ons van het leven t waar genot. Uw heldre blik verfoeit de schoonste logen, Maar vergt voor iedre waarheid ons ontzag, Ook die t vernuft ons niet ontraadslen mag. Gij leidt ons tot erkennen en gelooven Der waarheid, die het zondig hart geneest, Gij zult den menach beschermen, goede geest Waar t onverstand hem alles wou ontrooven. t Gevoelloos hart en t dwaze hoofd alleen Spot met geloof en zijn verborgenheid! O, t krank gevoel wek soms uw mededoogen, Toch roof t gij t hart zijn eerste rechten niet, Of lacht en spot, waar luid zijn stem gebiedt. Gij zijt een gave, een lichtstraal uit den Hoogen, Gij brengt den vrede in t rustloos zoekend brein, En leert het hart gevoelen diep en rein. O, t koele hoofd, bij t warm gevoelend harte, Dwingt eerbied af en liefde! dat spreidt licht En leven, waar zijn moedig oog zich richt, Dat peilt de wonde en deelt en heelt de smarte: En dát is mij uw beeld, gezond verstand: Een schrandre geest, wien t hart van liefda brandt. Wel mag de man u tot zijn schutsgeest bidden, Die Kerk of Kunst, of Wetenschap en Staat Zal dienen met zijn licht, zijn kracht, zijn raad: Opdat hij mensch en Christen zij te midden Der kranke, der geschokte maatschappij, Vol onverschilligheid, alarm en dweperij.
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001