AAN DE WATERSNOOD-POËTEN

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

(Uitgegeven ten voordeele der Overstroomden en in het belang der Kunst.)

Op, Watersnood-poëten!
   (Ko heeft zijn vers al klaar,
En „Water.... soep” zal ’t heeten!)
   Op, eedle, vrome schaar t
Fluks aan het verzen lijmen
   Vol geestdrift en gevoel,
Want nu zijn alle rijmen
   Geheiligd door het Doel!
 
Op, ’t is nu tijd van zingen,
   Heel akelig – dat spreekt
Laat allen handenwringen,
   Terwijl u ’t harte breekt.
En wil ’t niet spoedig lukken,
   Dan laat ge, hier en daar,
Maar zoo wat streepjes drukken
   – – – – – – – – – – – – –
- – – – – – – – – – – – – –
   Dat staat verschriklijk naar!

Met Watersnoodsgedichten,
   Bewaard uit vroeger tijd,
Kunt ge ook u ’t werk verlichten,
   (Kunstliefde spaart geen vljt!)
En om ’t verwijt te ontloopen
   Van imitatie – hoor:
Waar schapen eens verzopen,
   Schrijf daar nu koeien voor!

Voorts doe in uw Tafreelen,
   (’k Noteer ’t voor uw gemak!)
Vooral een Drama spelen,
   Een Drama op een dak.
Laat daar een grijsaard zweven,
   Een wichtjen in den arm –
Al zaagt ge ’t nooit – om ’t even,
   Dat maakt ons koud en warm!

Aprês – om nieuw te blijven –
   Laat ook nog op den vloed
Een schamel wiegje drijven,
   Door de Almacht slechts behoed.
Laat braaf de golven klotsen
   Bij ’t schriklijk noodgeschal,
En tusschen schots, aan schotsen,
   Stuur ’t veilig naar den wal!
 
Of wilt ge een Nooddicht smeden,
   Weldadigheid ter eer?
Zoo roem onz’ vrome zeden
   Nog eens – voor de’ eersten keer!
Zing hoe voor ’s naasten jammeren
   Steeds Neêrlands harte slaat –
(Een pluimpje aan de Amsterdammeren
   Vooral, kan hier geen kwaad!)

Gij ziet, we zijn bij voorbaat
   Verteederd en verrukt!
Dus op, wie nu maar doorslaat!
   Op braven, dicht en drukt.
Het lacht met alle sluizen
   Uw dichterlijk gevoel –
Daar is in Hollands huizen
   Een plaats voor al dien boel!

Ja, zonder schroom of vreezen,
   Den Rijmlust thans geboet!
Aan ’t slot u-zelv’ geprezen
   Als Dichtren groot en goed,
Als Dichtren, die de renten,
   De renten van uw vlijt
En godlijke talenten,
   Tot heil des naasten wijdt

Doch onder ons, Meneeren,
   Wijt de opbrengst van uw lied,
Hoe hoog we uw mildheid eeren,
   Toch straks úw verzen niet.
Wat schat gij saâm moogt gaêren,
   O meen niet al te boud:
„Voor ’t toovren van mijn snaren
   Stroomde al dit geld en goud
 
Neen, wat ook moog’ gebeuren
   Door al die Rijmlarij,
Dat zeuren uit den treuren,
   Wie wondren werkt – niet Gij –
Maar Neêrland t dat aan ’t blaken
   Van kunstloos medelij,
Zelfs voedend brood kan maken
   Van Waterpoëzij!
15 Januari 1862.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001