Op, Watersnood-poëten! (Ko heeft zijn vers al klaar, En Water.... soep zal t heeten!) Op, eedle, vrome schaar t Fluks aan het verzen lijmen Vol geestdrift en gevoel, Want nu zijn alle rijmen Geheiligd door het Doel! Op, t is nu tijd van zingen, Heel akelig dat spreekt Laat allen handenwringen, Terwijl u t harte breekt. En wil t niet spoedig lukken, Dan laat ge, hier en daar, Maar zoo wat streepjes drukken - Dat staat verschriklijk naar!
Met Watersnoodsgedichten, Bewaard uit vroeger tijd, Kunt ge ook u t werk verlichten, (Kunstliefde spaart geen vljt!) En om t verwijt te ontloopen Van imitatie hoor: Waar schapen eens verzopen, Schrijf daar nu koeien voor! Voorts doe in uw Tafreelen, (k Noteer t voor uw gemak!) Vooral een Drama spelen, Een Drama op een dak. Laat daar een grijsaard zweven, Een wichtjen in den arm Al zaagt ge t nooit om t even, Dat maakt ons koud en warm!
Aprês om nieuw te blijven Laat ook nog op den vloed Een schamel wiegje drijven, Door de Almacht slechts behoed. Laat braaf de golven klotsen Bij t schriklijk noodgeschal, En tusschen schots, aan schotsen, Stuur t veilig naar den wal! Of wilt ge een Nooddicht smeden, Weldadigheid ter eer? Zoo roem onz vrome zeden Nog eens voor de eersten keer! Zing hoe voor s naasten jammeren Steeds Neêrlands harte slaat (Een pluimpje aan de Amsterdammeren Vooral, kan hier geen kwaad!)
Gij ziet, we zijn bij voorbaat Verteederd en verrukt! Dus op, wie nu maar doorslaat! Op braven, dicht en drukt. Het lacht met alle sluizen Uw dichterlijk gevoel Daar is in Hollands huizen Een plaats voor al dien boel! Ja, zonder schroom of vreezen, Den Rijmlust thans geboet! Aan t slot u-zelv geprezen Als Dichtren groot en goed, Als Dichtren, die de renten, De renten van uw vlijt En godlijke talenten, Tot heil des naasten wijdt
Doch onder ons, Meneeren, Wijt de opbrengst van uw lied, Hoe hoog we uw mildheid eeren, Toch straks úw verzen niet. Wat schat gij saâm moogt gaêren, O meen niet al te boud: Voor t toovren van mijn snaren Stroomde al dit geld en goud Neen, wat ook moog gebeuren Door al die Rijmlarij, Dat zeuren uit den treuren, Wie wondren werkt niet Gij Maar Neêrland t dat aan t blaken Van kunstloos medelij, Zelfs voedend brood kan maken Van Waterpoëzij!
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001