SLAGVELD BIJ HASTINGS

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

„Deux moines saxons, Asgod et Ailrik, députés par l’abbé de Waltham, demandérent et obtinrent de transporter dans leur église les restes de leur bienfaiteur. IIs allèrent à l’amas des corps depouillés d’armes et de vêtements, les examinèrent avec soin l’un après l’autre et na reconnurent point celui qu’ils cherchaient, tant sas blessures l’avaient défiguré. Tristes et désespérant de réussir seuls dans cette recherche, ils s’adressdrent à une femme que Harold avant d’être rol avait entretenue comme maîtresse et la prièrent de se joindre à eux. Elle s’appelait Edithe et on la surnommait la Belle au cou de cygne. Elle consentit à suivre les deux moines et fut plus habile qu’eux à découvrir le cadavre de celui qu’elle avait aimé.”

Aug. Thierry, Histoire de la conquête de l’Angleterre par les Normands.
pag. 348.
Diep zuchtte de abt van Waltham, diep,
   Op de ijselijke mare:
Uw koning Harold viel in ’t veld
   Met heel zijn heldenschare!

Twee kloosterbroeders zendt hij straks
   Naar ’t slagveld uit, als boden:
„Zoekt mij mijns dierbren konings lijk
   Te Hastings bij de dooden.”

De broedren togen zwijgend heen,
   En keerden gansch verslagen:
„Hoogwaarde! ’t Lot is tegen ons!”
   Zoo jammren zij en klagen.

„Ach Bankert heerscht en Harold viel,
   De Held, de bloem der braven;
Een rooverbent verdeelt het land
   En maakt ons volk tot slaven!

Lord op ons Britteneiland wordt
   De plompste van die Noren;
’k Zag al een snijder uit Bayeux
   Te paard, met gouden sporen!

„Wee, iedren telg uit Saksisch bloedt –
   Wiens arm kan ons beveiligen?
Gij-zelf loopt nu den smaad niet vrij
   Daarboven, lieve Heiligen!

„Dat heeft die schrikkomeet voorspeld,
   – Profeet van booze tijën –
Dien ’k op een bezemstok van vuur,
   Bloedrood, door ’t zwerk zag rijën!

„Het onheilsteeken ging vervuld
   In Hastings’ schrikbre velden;
Wij zagen daar in slijk en bloed
   De lijken onzer helden!

„Wij draaiden ze om, wij speurden ze op,
   Wij wroetten in de voren,
Maar vonden ’t lijk van Harold niet.
   Ach, alles is verloren!”

En de abt verzonk in diep gepeins.
   En prevelde gebeden;
Toen sprak hij eindlijk, als ontwaakt
   Uit droomen van ’t verleden:

„Te Grendelfield in ’t diepst van ’t woud
   Woont, eenzaam en vergeten,
Een vrouw, die Edith Zwanenhals,
   De Schoone, werd geheeten;

„Want Ediths hals was blank en slank,
   Gelijk de hals der zwanen;
Uw koning Harold had haar lief,
   Met kussen, eeden, tranen.

„Hij had de jonge schoone lief,
   Hij zwoer haar steun en trouwe;
Toen – zestien jaren is ’t geleên –
   Verliet hij de arme vrouwe

„Op broeders! maakt u ijlings op,
   Naar Ediths schaamle woning,
De blik dier vrouw herkent in ’t veld
   Het lijk van Englands koning.

„De abdij van Waltham zal dien schat
   Met dankbre liefde ontvangen,
Hier wacht den held een Christlijk graf
   En zielmis en gezangen.”

En ’s middernachts voor de arme kluis
   Klonk reeds de stem der boden:
„Ontwaak, o Edith Zwanenhals!
   En volg ons naar de dooden.

„Der Noren Hertog zegeviert,
   En, met zijn honderdtallen
Van helden is, in Hastings’ slag,
   Ook Englands vorst gevallen.

„Volg ons naar Hastings, volg om ’t lijk
   Van Harold op te sporen,
Dat wij ’t ’in Walthams heilige aard
   Begraven naar behooren.”

Geen woord sprak Edith Zwanenhals
   En volgde zwijgend. Over
Haar slanken hals golft grijzend haar:
   De nachtwind fluit door ’t loover.

Zij volgde barvoets, de arme vrouw,
   Door poel en woud en hagen;
Het krijtgebergt van Hastings rijst
   Van ver bij ’t uchtenddagen.

De damp – een witte lijkwaë – die
   Het veld had overtogen,
Trekt op. De kille najaarszon
   Stijgt somber aan den hoogen.

Naakt, uitgeplunderd, half ontvleescht,
   Bij stapels en bij dijken,
Ligt daar op aard’ een duizendtal
   Misvormde menschenlijken.

De grond was als van bloed doorweekt;
   De riffen van de paarden
Bedekken ’t gruwlijk moordtooneel,
   De splinters van de zwaarden.

En ’t raafgebroed vloog fladdrend op,
   Dat zich aan ’t aas vergastte,
Als barvoets Edith Zwanenhals
   Door ’t zijplend bloedbad plaste.

Zij klauterde over lijken heen
   Als gloênde pijlen vlogen
De blikken vorschend, vreesljk ver,
   Van uit heur puilende oogen.

Zij staart, zij speurt, zij kruipt in ’t rond
   Zij doet het roofdier vluchten,
De kloosterbroeders volgden noô,
   Maar struikelden en kuchten.

Zij zocht den ganschen, langen dag;
   Reeds kwijnden de avondstralen,
De boden schudden ’t hangend hoofd
   En poogden aêm te halen.

Maar plotsling over ’t slagveld heen
   Barst uit dat vrouwenharte
Een gil – – wild schieten raven op! –
   Een kreet van liefde en smarte.

Daar – in een stapel lijken mocht
   Zij ’t dierbaar lijk ontdekken !
Een gil – – zij zwijgt, zij schreit niet – maar
   Zij kust die bleeke trekken.

Naast Harold zijgt zij neer op ’t veld –
- Een schrikbre liefdesponde
En kust op ’s konings breede borst
   De halfgestremde wonde.

- – – – – – – – – – – – – – – – – – 
- – – – – – – – – – – – – – – –
- – – – – – – – – – – – – – – – – – 
   – – – – – – – – – – – – – – – – –

Intusschen haastten zich de boôn
   Met takken saam te voegen
Ten baar, waarop zij ’t vorstenlijk
   Naar ’t klooster henendroegen.

En Edith, als zij ’t overschot
   Voor ’t laatst ten afscheid kuste,
Volgde onvermoeid heur Harolds baar
   Naar Walthams heilge ruste.
Zij zong, al gaande, een kind zoo vroom,
   De litany der dooden;
Dat klonk afgrijslijk door den nacht – –
   Zacht prevelden de boden.
1851
(Naar Heine.)

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001