Aan een heereboer

P.A. de Gťnestet (1829 – 1861)

Beminnenswaard, benijdenswaard
  Uw keuze, uw weg, uw deel:
Het vrije land, de bloeiende aard,
  De velden, golvend geel,
De blauwe lucht, de blonde zee,
  Het schaduwrijk priŽel,
Het beste werk, de zoetste vreÍ
  En – ’t wambuis van fluweel!

Vergeet, vergeet onze arme stad
  En  haar pantoffeldos;
Daar buiten blijve uw hart, uw schat
  Bij bloemen, heide en bosch!
Vergeten – en vergeten zijn
  Is ’t hechtst geluk op aard;
’t Geluk bij ons is last of schijn,
  Geen zucht, geen afscheid waard.

Wij teren hier in damp en gas,
  Verveling en fatsoen:
Gij rolt in koren, mos en gras,
  En hupt in lucht en groen.
Ik stoot mij hier aan iedre kei
  En hijg als levensmoe;
De frissche koelte van uw hei
  Waait u het leven toe!

Wij sukklen en wij kuchen hier
  De poel is ongezond:
Dat ginds uw jonkheid bloeie en tier’,
  Word stevig, bruin en rond!
Daar knijpt geen hoest de dorre keel
  Op Gelders heuvelkling;
De kwalen vliÍn voor ’t woudgekweel
  En ’t geuren der sering.

Hier duurt des levens lente kort,
  De mensch wordt spoedig oud!
De bloem der liefde en hoop verdort,
  Het hart wordt stug en koud.
Beklaagbaar de arme, die gelooft
  In bloemen, straal of lied!
De wijzen schudden koeltjes ’t hoofd,
  Want zij gelooven niet.

Natuur, vertrouwde van haar God,
  Die wijzer is dan wij,
AÍmt leven, liefde, lust, genot,
  Haar stem is harmonij;
Zij zuivert, zij verjongt het bloed,
  Zij troost in elke smart,
Zij strooit ons rozen in ’t gemoed
  En poŽzie in ’t hart.

Tot u spreekt iedre morgenstond:
  Werk met vernieuwden lust!
En de avond fluistert zoet in ’t rond:
  Smaak met de schepping rust.
Met voorjaarsbloesem, wintersneeuw,
  Of najaarsgeel bestrooid,
Gij, blijde telg der gouden eeuw,
  Verveelt u ginder nooit!

Groei, jonker, saam met land en stand,
  Sla nooit den tongval mis;
De hutspot van uw Gelderland
  Zij ’t sieraad van uw disch!
Geen spijs zoo hartig en gezond,
  Die meer ’t gehemelt streelt,
Dan vrucht gebouwd op eigen grond,
  Met eigen hand geteeld!

Schaam ’t grove brood, het grove kleed
  En ’t grove werk u niet;
De beste dauw is ’t eerlijk zweet,
  Dat van uw voorhoofd vliet.
Wees de eerste knecht in eigen rijk,
  Wees boer met hart en vuist
Wroet in uw goudmijn – heide en slijk –
  Met onversaagden knuist!

Uw sluimerende heidegrond
  Ontwake nieuw en blijd;
Sluit’ Moeder Aarde een schoon verbond
  Met moed, venuft en vlijt!
Gij – trekt partij van ’t woeste land!
  Natuur is mild genoeg,
Als maar de mensch zijn trage hand
  Wil strekken naar den ploeg.

„Werk!” is een goede, grote wet –
  Geen bittre zondestraf;
De kracht tot d’ arbeid is ’t gebed,
  De rust van ’t werk – het graf.
Waar arbeid en gebed zich paart,
  Daar, o Verhoorder! rijz’,
Uit stuivend zand en ledige aard,
  Een lachend Paradijs!

Wel hem, die ’t goud gedijen laat
  In de omgeworpen kluit:
Natuur is de allerbeste Staat,
  Die nooit haar schatkist sluit.
Haar schatkist is een moederschoot,
  Die vloeit in ’t oogstgetij;
Natuur is mild en goed en groot,
  En eerlijker dan wij.

Och, knip nu geen koeponnen meer
  Met de ouderwetsche schaar:
Uw sikkel maai’ ze heinde en veer
  Van velden, vol en zwaar!
Uw akker schiete welig op,
  Schoon Rus en rente daal’! –
Gij dankt voor iedren regendrop,
  Voor elken zonnestraal.

Gij maakt uw schoonen naam bemind,
  Dien de arme biddend noemt;
En ’k weet dat menig Geldersch kind
  Het snugger heerschap roemt.
Uw hoeve is menig Buiten waard,
  Uw hof verrukt mijn oog;
De zegen lacht u toe uit de aard,
  Bestraalt u van omhoog.

Toch, zie aandachtig in ’t rond:
  Is ’t paradijs volmaakt?
Denk aan den winteravondstond,
  Die telkens weer genaakt;
Denk, niet altoos blijft vader Cats
  De bijbel van uw stand,
Schoon, als uw grond, vol gouden schats,
  Uw wintertroost op ’t land:

En dies, dat zoete liefdetrouw
  Zich, onder ’t needrig dak,
Een vroolijk, veilig nestje bouw,
  Als ’t duifje op d’ eikentak.
Een nestje van ’t bloemfestoen,
  Den rozenkrans der Mei!
Van de eerste bloesems, ’t eerst groen,
  Op uw herschapen hei!

Ik weet een jong, een blozend kind,
  Als ’t koren rank en blond,
Vol zoet gesnap als de avondwind,
  Blij als de morgenstond;
Een frissche bloem, een eedle spruit,
  Geen vreemde wonderplant:
Ik weet een blijde, blonde bruid,
  Die lieft en leeft op ’t land!

Waar zij treedt, treedt de winter niet,
  Daar laat ze een rozenspoor;
Haar stem klinkt als een lentelied
  Het somber najaar door;
Zij hoort in Edens lustwarand
  Bij lieve zustren thuis,
Of – bij de bloemen van uw land,
  En in uw veilge kluis!

Bloei’, met uw heide, bloeie uw huis
  Van zegen, onverpoosd!
Het veld weergalm’ van ’t oogstgeruisch,
  Het huis van lachend kroost!
Hoor, hoor, hoe ginds de tortel kirt,
  Hoe slaat de nachtegaal!
De lente strooit oranje en mirt;
  DŠt is orakeltaal!

Dat veld en woud en bloemenkoor
  Mijn kunsteloozen zang
Welluidender in ’s landsmans oor
  En zoeter dan vervang.
Het fluistert in den rozengaard,
  het ritselt in ’t priŽel:
Beminnenswaard, benijdenswaard
  Uw weg, uw werk, uw deel!


[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.